Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
- verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2008 en VB 1996 tot en met 2000 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2008 en VB 1996 tot en met 2000;
- vermindert de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2008 en VB 1996 tot en met 2000 overeenkomstig de berekening van de vermogens- en rentecorrecties zoals opgenomen onder 4.3.3 en vermindert de heffingsrentebeschikkingen dienovereenkomstig;
- vernietigt de boetebeschikkingen IB/PVV 1995 en IB/PVV 1997 tot en met 2008 en VB 1996 tot en met 2000;
- vermindert de boetebeschikking die behoort bij de navorderingsaanslag IB/PVV 1996 tot 80% van het bedrag van de navorderingsaanslag overeenkomstig de berekening van de rentecorrectie 1996 zoals opgenomen onder 4.3.3;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 4.127,50;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 160 vergoedt;
2.Feiten
3.Het oordeel van de rechtbank
4.5.3. Op de Inspecteur rustte in het kader van de vaststelling van de boeten derhalve de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren 1990 tot en met 2000 rentebaten niet heeft verantwoord.’
4.Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep
5.Beoordeling van het geschil
- a.) Belanghebbende heeft van september 1992 tot en met november 1997 een tegoed bij een Zwitserse vestiging van de Deutsche Bank aangehouden zonder dat hij dit tegoed in zijn aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting aangaf (zie rechtbankuitspraak onder 2.3).
- b.) Uit de onder 2.3 geciteerde brief blijkt dat de Deutsche Bank het tegoed dat belanghebbende aanhield bij de vestiging in Zwitsersland in november 1997 naar een filiaal in Emmerich heeft overgemaakt.
- c.) Belanghebbende heeft met betrekking tot de bij het filiaal in Emmerich aangehouden bankrekening geen enkel document overgelegd, terwijl - indien verondersteld wordt dat belanghebbende met betrekking tot die bankrekening - zoals hij stelt - niet (meer) over bescheiden beschikt - van belanghebbende in ieder geval verwacht had mogen worden dat hij de vestiging in Emmerich een vergelijkbare brief als geciteerd onder 2.2 gestuurd zou hebben.
- d.) Belanghebbende heeft ook geen enkel document ingebracht waaruit volgt of afgeleid zou kunnen worden dat het bij de vestiging in Emmerich aangehouden tegoed (geheel of gedeeltelijk) op een Nederlandse bankrekening is ontvangen, of anderszins is aangewend.
- e.) In dit kader acht het Hof voorts van belang dat het gelet op rechtsoverweging 5.2.4 en volgende om een aanzienlijk tegoed ging dat per november 1997 naar de Duitse bankrekening werd overgemaakt.
- f.) Dat het om een aanzienlijk tegoed ging dat vervolgens lang aangehouden werd, vindt steun in het volgende. De inspecteur heeft – zo begrijpt het Hof – gesteld (1) dat 44 houders van een bankrekening bij de Deutsche Bank met de Nederlandse fiscus (uiteindelijk) hebben meegewerkt, in die zin dat zij met betrekking tot de bij de Deutsche Bank aangehouden tegoeden een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, en (2) dat het gemiddelde tegoed over de periode 1993 tot en met 2005 € 553.112 bedroeg. Nu belanghebbende in zijn verweerschrift in hoger beroep ook uitgaat van ‘44 meewerkers’ en hij ter zitting van het Hof (uitsluitend) de berekening van het door de inspecteur berekende tegoed bestreden heeft, gaat het Hof er vanuit dat de 44 meewerkers over nagenoeg alle – in ieder geval over vele - jaren in de periode 1993 tot en met 2005 een rekening bij de Deutsche Bank aanhielden.
- a) dat de navorderingsaanslagen tot en met 2000 (zie 1.1.1. tot en met 1.1.11) tot de juiste bedragen zijn vastgesteld, en
- b) dat de (navorderings)aanslagen vanaf 2001 (zie 1.1.12 tot en met 1.1.19) tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De in deze (navorderings)aanslagen betrokken nagevorderde bedragen dienen gelet op rechtsoverweging 5.2.8 met 50% te worden verminderd en wel conform onderstaande tabel.
- dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg (de duur van de bezwaarfase inbegrepen) niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;
- dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechter niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden;
- dat als bijzondere omstandigheid – waarvan de redelijkheid van de duur van de behandeling mede afhankelijk is – onder meer is aan te merken de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe bijvoorbeeld kan worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede de verknochtheid van het belastbare en/of beboetbare feit met andere belastbare en/of beboetbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n).
- Ook de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op het procesverloop kan van betekenis zijn.
6.Kosten
7.Beslissing in het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep
- vernietigt de boetebeschikking behorende bij de navorderingsaanslag IB 1996;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 3.308;
- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 2.000.