Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[appellante],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de Duisenberg-regeling van toepassing is op de effectenleaseovereenkomsten gesloten tussen Dexia en de geïntimeerden, en of daardoor vernietiging van deze overeenkomsten mogelijk is.
De feiten betroffen twee effectenleaseovereenkomsten die door de man waren gesloten, waarbij aandelen werden gekocht en een restschuld kon ontstaan. De vrouw stelde zich op het standpunt dat zij deze overeenkomsten binnen de verjaringstermijn had vernietigd. Het hof stelde vast dat alleen de man partij was bij de Overeenkomst Dexia Aanbod en dat de vrouw bevoegd bleef tot vernietiging van de leaseovereenkomsten. Desondanks is de Duisenberg-regeling verbindend verklaard en zijn partijen daaraan gebonden omdat zij geen opt-out hebben ingediend.
De geïntimeerden voerden onder meer aan dat Dexia niet aan haar verplichtingen had voldaan, dat de aandelen niet daadwerkelijk waren aangekocht en dat de regeling onrechtmatig was. Het hof verwierp deze stellingen op basis van een uitgebreid AFM-onderzoek dat bevestigde dat Dexia de aandelen had verworven en behouden. Ook werd geoordeeld dat het beroep op het EVRM geen schending van het recht op toegang tot de rechter oplevert.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis en veroordeelde de geïntimeerden tot betaling van het restantbedrag van €17.689,90, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: Geïntimeerden worden veroordeeld tot betaling van €17.689,90 plus wettelijke rente en proceskosten, en de vernietiging van het eerdere vonnis.