ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2280
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslagen en vergrijpboeten wegens niet aangegeven winst uit onderneming
Belanghebbende werd navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2003 en 2004 wegens niet aangegeven winst uit onderneming, gebaseerd op een strafrechtelijk financieel onderzoek en kasopstelling. Hij voerde onder meer aan dat het bedrag deels uit een erfenis afkomstig was en dat de aanslagen onterecht waren vanwege een lopende ontnemingsprocedure.
Het Hof oordeelde dat het bedrag dat belanghebbende op grond van de ontnemingsprocedure aan de Staat moet betalen pas ten laste van de winst kan worden gebracht in het jaar van betaling, en niet in de jaren 2003 of 2004. De inspecteur beschikte ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen over een nieuw feit, namelijk het SFO-rapport en andere stukken, die aanleiding waren voor het boekenonderzoek.
Belanghebbendes activiteiten werden door het Hof als winst uit onderneming aangemerkt, waarbij hij zijn administratieplicht had geschonden. De inspecteur had op redelijke wijze de winst geschat, en belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd om deze schatting te weerleggen. De vergrijpboeten van 50% werden passend geacht, met een matiging tot 38% vanwege termijnoverschrijding en schattingsmarge.
De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Belanghebbende kan binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de navorderingsaanslagen en vergrijpboeten wegens niet aangegeven winst uit onderneming over 2003 en 2004.