ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8788
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onzakelijke lening en borgtocht bij vennootschapsbelasting 2001
Belanghebbende verstrekte in 2001 een lening van f 1.025.000 aan [R] B.V., een vennootschap waarin zij via [Q] een aandelenbelang wilde verwerven. Tevens stelde zij zich borg voor een bedrag van f 200.000 ten behoeve van [R]. De lening werd niet volledig terugbetaald en [R] ging in 2002 failliet.
De inspecteur kwalificeerde de lening als onzakelijk en weigerde de afwaardering ervan in 2001 fiscaal in aftrek te nemen. Belanghebbende stelde dat de lening zakelijk was en dat het verlies in 2001 wel mocht worden afgetrokken. De rechtbank oordeelde aanvankelijk in het voordeel van belanghebbende, maar het hof vernietigde dit oordeel.
Het hof stelde vast dat de lening feitelijk achtergesteld was bij andere financieringen, dat geen zekerheden waren bedongen, en dat de rente feitelijk winstafhankelijk was. Dit duidt op een debiteurenrisico dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Ook de borgtocht werd als niet zakelijk beoordeeld. Het verlies mocht daarom niet in 2001 worden afgetrokken, maar pas bij definitieve oninbaarheid.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. De inspecteur handhaafde de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001.