ECLI:NL:GHAMS:2012:BV3000
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat grondwaarde bij inbreng onderneming wordt vastgesteld op waarde in vrij opleverbare staat
Belanghebbende bracht per 1 januari 2001 een perceel grond in haar onderneming in. De kern van het geschil betrof de waardering van dit perceel op de openingsbalans: de inspecteur stelde dat dit moest gebeuren tegen de waarde in verpachte staat, terwijl belanghebbende de waarde in vrij opleverbare staat hanteerde.
De rechtbank oordeelde dat de grond moest worden gewaardeerd tegen de waarde in vrij opleverbare staat, omdat de pachtovereenkomst voorafgaand aan de inbreng was ontbonden. Het hof bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de waarde in het economisch verkeer de waarde is die gold op het moment van inbreng, namelijk in onverpachte staat.
De inspecteur voerde aan dat de maatschapsovereenkomst een waardedrukkende bepaling bevatte, waardoor de waarde lager zou zijn, maar het hof verwierp dit omdat deze bepaling pas na de inbrengdatum van kracht werd en geen invloed had op de waarde ten tijde van de inbreng.
Het hof oordeelde ook dat het beroep op fraus legis niet slaagde, omdat de transacties niet in strijd waren met de doelstellingen van de belastingwetgeving. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd, met als gevolg dat het belastbaar inkomen aanzienlijk werd verlaagd.
Uitkomst: De boekwaarde van het perceel grond moet op de openingsbalans worden opgenomen tegen de waarde in vrij opleverbare staat, niet de waarde in verpachte staat.