ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5212
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt toepassing deelnemingsvrijstelling op aandelenbezit in concernverband
Belanghebbende, een houdstermaatschappij binnen de Y Groep, voerde in hoger beroep aan dat haar aandelenbezit van 2,977% in B SA als belegging moest worden beschouwd, zodat het verlies fiscaal aftrekbaar zou zijn. De inspecteur stelde dat dit aandelenbezit in de lijn lag van de normale uitoefening van de onderneming en dus als deelneming moest worden aangemerkt.
Het Hof bevestigde dat het aandelenbezit niet uitsluitend was gericht op rendement en waardestijging, maar onderdeel was van een strategische positionering binnen het concern. Het aandelenbezit was opgelegd door de concernleiding en vond plaats onder voorwaarden die door het concern waren bepaald. Bovendien was het belanghebbende niet toegestaan zelfstandig te beschikken over deze aandelen.
De Hoge Raad-jurisprudentie werd toegepast, waarbij het criterium geldt dat aandelen slechts als belegging gelden indien zij uitsluitend met het oog op rendement en waardestijging worden aangehouden. Het Hof oordeelde dat het aandelenbezit van belanghebbende een schakelfunctie binnen het concern vervulde en dus niet als belegging kon worden aangemerkt.
Daarmee werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing, waardoor het verlies niet in aftrek kan worden gebracht. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het aandelenbezit in B SA.