ECLI:NL:HR:1997:AA3313
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ondernemingseigenschap en deelnemingsvrijstelling bij aandelenbezit in werkmaatschappij
In deze zaak ging het om de vraag of de besloten vennootschap X B.V. voor het jaar 1991 een onderneming drijft en of het aandelenbezit in G P B.V. (G-nieuw) in de lijn ligt van de normale uitoefening van die onderneming, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.
De belanghebbende was opgericht in het kader van de bedrijfsopvolging van G B.V. (G-oud) en hield aandelen in G-nieuw, een werkmaatschappij waarin ook C B.V. deelnam. Het Hof te 's-Gravenhage had geoordeeld dat X B.V. wel degelijk een onderneming drijft, mede vanwege haar betrokkenheid bij het management van G-nieuw, en dat het aandelenbezit niet als belegging kan worden aangemerkt maar in de lijn ligt van de normale bedrijfsuitoefening.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat X B.V. een onderneming drijft en dat het houden van aandelen niet zonder meer in de lijn van de onderneming ligt wanneer deze niet als belegging worden gehouden. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde het oordeel van het Hof, waarbij werd benadrukt dat het aandelenbezit nauw verweven is met de bedrijfsactiviteiten en opvolging van G-oud.
De Hoge Raad wees ook op de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie die het onderscheid tussen beleggen en houden in de lijn van de onderneming verduidelijken. Er werd geen aanleiding gezien om het beroep van de Staatssecretaris toe te wijzen, en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat X B.V. een onderneming drijft en het aandelenbezit in G-nieuw in de lijn ligt van de normale bedrijfsuitoefening.