ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3962
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugbetaling douanerechten en omzetbelasting na overschrijding vervoerstermijn onder douanevervoerregeling
Belanghebbende had goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatst, maar bracht deze niet binnen de vervoerstermijn aan bij het kantoor van bestemming. De inspecteur legde daarop een uitnodiging tot betaling (UTB) op wegens niet-zuivering van de aangifte. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en beval terugbetaling van de geheven douanerechten en omzetbelasting.
In hoger beroep stond centraal of door het niet tijdig aanbrengen van de goederen een douaneschuld was ontstaan op grond van artikel 203 of Pro 204 van het Communautair Douanewetboek (CDW). Het hof overwoog dat het overschrijden van de vervoerstermijn een plichtsverzuim is, maar dat dit verzuim onder de voorwaarden van artikel 859 van Pro de Uitvoeringsverordening CDW als verzuim zonder werkelijke gevolgen kan worden aangemerkt.
Het hof stelde vast dat geen sprake was van onttrekking aan het douanetoezicht, geen duidelijke nalatigheid bestond en dat de goederen in ongeschonden staat binnen een redelijke termijn alsnog waren aangebracht. Hierdoor was geen douaneschuld ontstaan. Gelet hierop en op de toepasselijke wettelijke bepalingen werd het verzoek tot terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting toegewezen, waarmee het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat geen douaneschuld is ontstaan en wijst terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting toe.