ECLI:NL:GHAMS:2007:BB3789
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- P.F. Goes
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over fiscale gevolgen cessie huurtermijnen aan BV onder Wet IB 2001
Belanghebbende, een vennootschap, had haar verlies over het boekjaar 2000/2001 vastgesteld zien worden op verschillende bedragen na bezwaar en beroep. De kern van het geschil betrof de fiscale behandeling van een cessie om niet van huurtermijnen door de enig aandeelhouder aan de vennootschap, en de vraag of de vennootschap op deze geactiveerde huurtermijnen mocht afschrijven.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en het verlies vastgesteld op €117.819, met als overweging dat onder de Wet IB 2001 een redelijke wetstoepassing niet langer vereist dat een voordeel in aanmerking wordt genomen dat voortvloeit uit onzakelijk handelen van de aandeelhouder. De inspecteur stelde zich primair op het standpunt dat de forfaitaire heffing in box 3 onvoldoende basis bood voor redelijke wetstoepassing en dat afschrijving niet toegestaan was.
Het Hof oordeelt dat de cessie van huurtermijnen niet valt onder het begrip terbeschikkingstelling in artikel 3.92 Wet IB 2001, omdat bij overdracht geen recht op het vermogensbestanddeel blijft bij de terbeschikkingsteller. Hierdoor is er geen heffing in box 1 bij de aandeelhouder. Wel wordt het voordeel in box 3 betrokken, verminderd met de waarde van de verplichting. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarbij het voordeel bij de vennootschap moet worden belast en afschrijving niet is toegestaan.
De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 29 augustus 2007, waarbij geen proceskosten worden toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.