ECLI:NL:PHR:2009:BF3856
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting bij cessie om niet van huurtermijnen door aandeelhouder
De zaak betreft de fiscale behandeling van een cessie om niet van huurtermijnen door een directeur-grootaandeelhouder aan zijn vennootschap, waarbij de vraag centraal staat of afschrijving op het geactiveerde huuropbrengstrecht fiscaal toelaatbaar is na invoering van de Wet IB 2001.
De belanghebbende, een NV, had huurtermijnen van twee in privé gehouden panden om niet gecedeerd gekregen van haar aandeelhouder. De Rechtbank had voor het deel van het boekjaar na 1 januari 2001 afschrijving toegestaan, omdat de Wet IB 2001 voorziet in een heffing in box 3, terwijl voor het deel vóór 2001 afschrijving werd geweigerd conform eerdere jurisprudentie. Het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat afschrijving niet toelaatbaar was.
De Hoge Raad stelt dat de cessie niet kwalificeert als terbeschikkingstelling in box 1, omdat de aandeelhouder geen recht behoudt op het vermogensbestanddeel. Wel wordt de waarde van het recht op huurtermijnen in box 3 belast tegen een forfaitair rendement. De combinatie van box 3-heffing en vennootschapsbelasting over de oprenting van het geactiveerde recht vormt een redelijke wetstoepassing die recht doet aan de fiscale samenhang.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt het oordeel van de Rechtbank dat afschrijving op het geactiveerde huuropbrengstrecht na 1 januari 2001 fiscaal toelaatbaar is, waarmee dubbele belastingheffing wordt voorkomen en de fiscale positie aansluit bij de Wet IB 2001.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat afschrijving op het geactiveerde huuropbrengstrecht fiscaal toelaatbaar is na invoering van de Wet IB 2001.