ECLI:NL:CRVB:2026:930

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
24/20 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 53a PWArt. 54 PWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en afwijzing bijstand wegens schending medewerkingsverplichting en onduidelijke vermogenssituatie

Appellanten ontvingen sinds 2009 bijstand en werden in 2020 geconfronteerd met een anonieme tip over mogelijke bijstandsfraude en bezit van onroerend goed in Turkije. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek en trok de bijstand in per 8 december 2020 vanwege het weigeren van medewerking, waaronder het niet openen van de kofferbak van de auto.

Vervolgens werden twee aanvragen om bijstand afgewezen omdat appellanten geen machtiging wilden verstrekken aan het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) voor onderzoek naar hun vermogen in Turkije. Appellanten stelden dat zij voldeden aan hun medewerkingsplicht en dat de privacy-inbreuk disproportioneel was.

De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht de medewerkingsverplichting heeft gesteld en dat de inbreuk op privacy gerechtvaardigd was. De verstrekte stukken gaven onvoldoende inzicht in de vermogenssituatie, mede door onduidelijkheden over de verkoop van onroerend goed. Daarom kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en bleven de intrekking en afwijzing in stand.

De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en appellanten kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt het belang van medewerking aan onderzoek bij bijstandsverlening en de proportionaliteit van beperkte privacy-inbreuken in dat kader.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvragen worden bevestigd wegens schending van de medewerkingsverplichting en onvoldoende inzicht in de vermogenssituatie.

Uitspraak

24/20 PW, 24/22 PW, 24/1829 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2023, 22/3915 en 22/4475 (aangevallen uitspraak 1) en van 1 juli 2024, 23/4547 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 14 juli 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het om de intrekking van bijstand en de afwijzing van twee aanvragen om bijstand. Aan de intrekking ligt onder meer ten grondslag dat appellanten de medewerkingsverplichting hebben geschonden door geen toestemming te geven om in de kofferbak van hun auto te kijken. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, heeft het dagelijks bestuur in dit verband niet in strijd met artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gehandeld. Aan de afwijzing van de aanvragen ligt onder meer ten grondslag dat appellanten de medewerkingsverplichting hebben geschonden door geen machtiging te verstrekken aan het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) om onderzoek te doen naar onroerend goed op naam van appellant in Turkije. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, hebben zij door die weigering de medewerkingsverplichting geschonden en nemen de overgelegde stukken de onduidelijkheid in hun vermogenssituatie niet weg. De hoger beroepen slagen niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Gürses en E. Battaloglu als tolk. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.V. Tuchkova.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 4 maart 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Nadat het dagelijks bestuur op 25 maart 2020 via de gemeente Utrecht een anonieme tip, gedateerd 16 december 2019, ontving over werk en inkomsten van appellant als zelfstandige en het bezit van onroerend goed in Turkije, heeft het dagelijks bestuur onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de verlening van bijstand aan appellanten. In dat kader is onder meer administratief vooronderzoek en dossieronderzoek verricht, is het IBF ingeschakeld om onderzoek te doen naar het vermogen van appellant in Turkije en hebben appellanten op 8 december 2020 een gesprek gehad met twee ‘medewerkers handhaving’ (handhavers). De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 8 december 2020.
1.2.
Met een besluit van 17 december 2020, na bezwaar gewijzigd met een besluit van 28 juni 2022 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur op grond van de bevindingen van het onderzoek de bijstand van appellanten ingetrokken met ingang van 8 december 2020. Aan bestreden besluit 1 heeft het dagelijks bestuur onder meer ten grondslag gelegd dat appellanten de medewerkingsverplichting hebben geschonden door op 8 december 2020 te weigeren de kofferbak van hun auto te openen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.3.
Appellanten hebben op 22 april 2021 een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Met een besluit van 4 juni 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 juni 2022 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen.
1.4.
Appellanten hebben, na een melding op 4 oktober 2021, op 12 oktober 2021 opnieuw een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Met een besluit van 25 november 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 18 augustus 2023 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur ook deze aanvraag afgewezen.
1.5.
Aan de bestreden besluiten 2 en 3 heeft het dagelijks bestuur onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben niet aan hun medewerkingsverplichting voldaan door geen machtiging aan X van het IBF te verstrekken voor onderzoek naar hun vermogen in Turkije. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellanten hebben met de stukken die zij hebben overgelegd ook niet aannemelijk gemaakt in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren.
Uitspraken van de rechtbank
2. Met aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de afzonderlijk ingestelde beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en met aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Daarmee zijn de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hun hoger beroepen hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de verdragsbepaling die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellanten tegen de intrekking van de bijstand en de afgewezen aanvragen om bijstand hebben aangevoerd komt, zoals besproken op zitting en voor zover van belang, in de kern op het volgende neer. Zij hebben voldaan aan hun inlichtingen- en medewerkingsverplichting. De anonieme, vage tip in 2020 had geen hoog waarheidsgehalte. Het openen van de kofferbak is een vergaande schending van hun privacy die de toets van proportionaliteit en subsidiariteit niet kan doorstaan. Zij hebben verklaard geen werkzaamheden te hebben verricht en geen inkomsten te hebben ontvangen. Verder hebben zij hun vermogenssituatie inzichtelijk gemaakt en alle gegevens waar zij redelijkerwijs over konden beschikken verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Appellant had na het overlijden van zijn moeder een aanspraak op haar nalatenschap, maar hij kon nog niet zelfstandig over zijn erfdeel beschikken. Nadat hij er wel over kon beschikken, heeft hij alles op [datum 1] 2021 verkocht aan B voor 11.750 Turkse Lira (€ 222,07). Nadien had appellant geen onroerend goed meer op zijn naam. De gevraagde machtiging is niet nodig, omdat het recht op bijstand op grond van de overgelegde stukken kan worden vastgesteld. Daarnaast hebben appellanten geen vertrouwen in X, aan wie de machtiging moest worden gegeven. Appellanten hebben er tot slot op gewezen dat zij bij iedereen schulden hebben. Zij leven van leningen van vrienden en familie, van hun toeslagen en van wat hun kinderen kunnen geven. Zij hebben geen middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en staan aan de rand van de afgrond.
De intrekking van de bijstand
4.2.
Bestreden besluit 1 wordt getoetst voor de periode van 8 december 2020, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 17 december 2020, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).
4.3.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het dagelijks bestuur aannemelijk moet maken dat en in welk opzicht appellanten de op hen rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting hebben geschonden.
4.4.
De medewerkingsverplichting houdt in dat de belanghebbende op verzoek van de bijstandverlenende instantie de medewerking moet verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
Openen kofferbak en het recht op privacy
4.5.
De Raad is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten hun medewerkingsverplichting hebben geschonden door geen toestemming te geven om in de kofferbak van hun auto te kijken en dat hierdoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
De in 1.1 genoemde anonieme tip hield onder meer in dat appellant sinds vijf à zes jaar bijstandsfraude pleegt door zwart te werken. Appellant zou Internet Protocol Television (IPTV)abonnementen verkopen en IPTV-kastjes monteren. Achterin zijn auto, in de kofferbak, zou appellant diverse IPTV-kastjes bewaren. Anders dan appellanten hebben gesteld, is dit geen vage maar een concrete tip. Hierbij komt dat uit het administratief onderzoek is gebleken dat appellant op Facebook heeft vermeld dat hij met ingang van [datum 2] 2018 is gaan werken bij [naam bedrijf] . De handhavers hadden dan ook een redelijke grond om op 8 december 2020 in het gesprek met appellanten van hen te verlangen dat zij toestemming verleenden om in de kofferbak van hun auto te kijken. Daarbij is aan appellanten duidelijk gemaakt dat hun weigering om daaraan medewerking te verlenen gevolgen zou kunnen hebben voor hun recht op bijstand. In dat verband is aan appellanten een bedenktijd van vijftien minuten gegeven om alsnog mee te werken, waarna zij in hun weigering hebben volhard. Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is, anders dan appellanten menen, voldaan. Het vragen om toestemming om in de kofferbak te kijken en het gebruik daarvan is een beperkte en, gelet op het daarmee te dienen doel, te weten de beoordeling van de bijstandbehoevendheid van appellanten, in beginsel aanvaardbare inbreuk op het recht op privacy van appellanten. Het openen van de kofferbak was het enige geschikte middel om na te gaan of in de kofferbak IPTV-kastjes zouden liggen. De inbreuk op het respect voor het privéleven van appellanten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM was dan ook gerechtvaardigd.
4.7.
Nu als gevolg van deze schending van de medewerkingsverplichting niet kan worden vastgesteld of, en, zo ja, in welke mate appellanten in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden, was het dagelijks bestuur op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 8 december 2020 in te trekken. Appellanten hebben verder niets aangevoerd op grond waarvan het dagelijks bestuur geen gebruik mocht maken van deze bevoegdheid.
De afwijzing van de aanvragen om bijstand
4.8.
De bestreden besluiten 2 en 3 worden getoetst voor de periode van 22 april 2021 tot en met 4 juni 2021 en 4 oktober 2021 tot en met 25 november 2021, zijnde de periodes vanaf de datum waarop appellanten zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het betreffende afwijzingsbesluit (te beoordelen periodes).
4.9.
Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
4.10.
Op iemand die bijstand aanvraagt, zijn vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld voor de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de PW van toepassing. Als de bijstandverlenende instantie aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.11.
De medewerkingsverplichting houdt, zoals overwogen in 4.4, in dat de belanghebbende op verzoek van de bijstandverlenende instantie de medewerking moet verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de PW kan de bijstandverlenende instantie bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt moeten worden of moeten worden overgelegd. Ook kan de bijstandverlenende instantie de wijze en het tijdstip bepalen waarop dit moet gebeuren.
Verstrekken machtiging
4.12.
De Raad is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten hun medewerkingsverplichting hebben geschonden door geen machtiging te verstrekken waarmee het IBF in Turkije onderzoek kan doen naar hun vermogen en dat hierdoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daartoe is het volgende van belang.
4.13.
Niet in geschil is dat sinds 2007 een huis te [plaats 1] op naam van appellant stond. Ook is niet in geschil dat de moeder van appellant op [datum 3] 2020 is overleden en dat appellant vanaf het tijdstip van overlijden van zijn moeder aanspraak had op zijn erfdeel. Ter verifiëring van de omvang en waarde van het hele vermogen van appellanten in Turkije mocht het dagelijks bestuur, gelet op 4.9 tot en met 4.11, in beginsel van appellanten verlangen dat zij in het kader van hun aanvragen om bijstand een machtiging verstrekken aan X van het IBF om nader onderzoek te doen naar onroerende goederen op naam van appellant in Turkije.
4.14.
Vaststaat dat appellanten de verzochte machtiging aan X niet hebben verstrekt en ook niet willen verstrekken. Appellanten hebben op geen enkele wijze onderbouwd waarom er reden is het vertrouwen in X in twijfel te trekken. Dat appellant, zoals verklaard ter zitting van de Raad, een slechte ervaring heeft met de verlening van een machtiging aan zijn eigen broer, biedt geen grond om ervan uit te gaan dat X het vermogensonderzoek niet naar behoren zou uitvoeren. De Raad is evenals de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 dan ook van oordeel dat de consequenties van de keuze van appellanten om te volharden in hun weigering de machtiging te verstrekken, in beginsel voor hun rekening moeten komen. Dit zou anders kunnen zijn als de door appellanten zelf verstrekte informatie voldoende inzicht zou geven in hun vermogenssituatie om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Dit is echter niet het geval. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.15.
Appellanten hebben met betrekking tot hun vermogen in Turkije onder meer de volgende bewijsstukken verstrekt:
  • een verklaring van erfrecht van 13 oktober 2020, waarin onder meer staat dat van de erfenis van de moeder van appellant 32 delen aan hem toebehoren;
  • een uittreksel van het Turkse kadaster van 28 september 2021 met daarop de vermelding van 32 op naam van appellant geregistreerde onroerende zaken, namelijk een ‘stenen huis met tuin’ te [plaats 1] , 30 akkers te [plaats 2] en een ‘huis uit Adobe met bijgebouw’ te [plaats 2] ;
  • informatie van de gemeente van [plaats 1] van 8 november 2021. Uit het ‘Raadpleegscherm opgaafwaarde onroerendezaakbelasting’ blijkt dat appellant in die gemeente eigenaar is en een aandeel heeft van 1/1 in een perceel met gebouw zonder eigendomsbewijs in de wijk [naam wijk] ( [plaats 3] ), met een waarde van 36.501,11 Turkse Lira;
  • informatie van de gemeente van [plaats 1] van 8 november 2021 dat appellant, blijkens een registratie in het kadaster, door erfopvolging op 20 januari 2021, 1/6 aandeel heeft verworven in een onverdeelde eigendom van een ‘stenen huis met tuin’ te [plaats 1] ;
  • een overeenkomst van [datum 1] 2021 met daarin een opsomming van 29 onroerende zaken die appellant voor een bedrag van in totaal 11.750 Turkse Lira heeft verkocht aan B;
  • informatie van het Directoraat voor Eigendomsakten te [plaats 1] van 25 juli 2022 dat appellant, blijkens een digitaal archiefonderzoek geen goederen heeft;
  • een document van de directeur Financiële Diensten van de gemeente [plaats 1] van 26 juli 2022 waarin staat dat in de archieven van de gemeente op naam van appellant geen aangifte onroerendgoedbelasting is aangetroffen.
4.16.1.
De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur de in 4.15 genoemde stukken heeft betrokken bij de besluitvorming.
4.16.2.
Uit de overeenkomst van [datum 1] 2021 blijkt dat appellant zijn 1/6 aandeel in 28 akkers en 1/6 aandeel in een huis, alle te [plaats 2] , heeft verkocht aan B. Uit dit stuk blijkt niet dat het stenen huis met tuin te [plaats 1] (dat zoals blijkt uit het uittreksel van het Turkse kadaster van 28 september 2021 op naam stond van appellant) op [datum 1] 2021 is verkocht aan B. Appellant heeft ter zitting van de Raad hierover verklaard dat het huis in [plaats 2] van zijn overleden vader was en is verkocht aan B, zijn neef, en dat het huis te [plaats 1] van zijn overleden moeder was en dat dit huis inmiddels ook is verkocht. Daargelaten dat appellanten op 8 december 2020 hebben verklaard dat appellant een huis in [plaats 1] op zijn naam had en dat hij dat huis in 2007 zou hebben geërfd van zijn vader, staat vast dat appellanten van de gestelde verkoop van het huis te [plaats 1] geen stukken hebben overgelegd. Onduidelijk is dan ook wanneer dit huis zou zijn verkocht en wat de waarde ervan was. Aan de verstrekte informatie van de gemeente van [plaats 1] van 8 november 2021, dat de waarde van een perceel met gebouw in de wijk [naam wijk] ( [plaats 3] ) voor de onroerendezaakbelasting (OZB) 36.501,11 Turkse Lira zou zijn, kan geen betekenis worden toegekend. [1] Daarbij is van belang dat de heffing van de OZB plaatsvindt naar opgave van de waarde van de onroerende zaak door de belastingplichtige eigenaar, die baat heeft bij vaststelling van een lage waarde. De reële waarde van het huis te [plaats 1] in de te beoordelen periodes blijft daarom ongewis. De Raad is verder van oordeel dat dit ook geldt voor de reële waarde van de 29 onroerende zaken die appellant op [datum 1] 2021 aan zijn neef B heeft verkocht. De waardes van deze onroerende zaken zijn namelijk niet met objectieve stukken, bijvoorbeeld in de vorm van taxaties, onderbouwd.
4.16.3.
Blijkens de overeenkomst van [datum 1] 2021 heeft appellant ook een akker te [plaats 2] met het perceelnummer 458 verkocht aan B, terwijl uit het overgelegde uittreksel van het Turkse kadaster van 28 september 2021 niet blijkt dat appellant deze akker op zijn naam had. Appellant heeft ter zitting van de Raad hiervoor geen verklaring kunnen geven. De Raad stelt in elk geval vast dat het uittreksel van het Turkse kadaster van 28 september 2021 geen volledig beeld geeft van de onroerende zaken die in de te beoordelen periodes op naam van appellant stonden.
4.16.4.
De Raad merkt verder op dat in het uittreksel van het Turkse kadaster van 28 september 2021 drie akkers te [plaats 2] , met de perceelnummers 517, 1148 en 1179, staan vermeld die niet worden genoemd in de overeenkomst van [datum 1] 2021. Gelet hierop en op wat in 4.17.2 is overwogen met betrekking tot het ‘stenen huis met tuin’ te [plaats 1] , moet het ervoor worden gehouden dat appellant, anders dan is aangevoerd, niet al zijn onroerende zaken op [datum 1] 2021 heeft verkocht.
4.17.
Wat in 4.16 tot en met 4.16.4 is overwogen betekent dat de totale omvang en reële waarde van de onroerende zaken in Turkije die in de te beoordelen periodes op naam van appellant stonden, en daarmee het recht op bijstand van appellanten over die periodes, op grond van de overgelegde stukken, niet kunnen worden vastgesteld. De informatie van het Directoraat voor Eigendomsakten te [plaats 1] van 25 juli 2022 dat appellant geen goederen op zijn naam heeft en het feit dat in de archieven van de gemeente [plaats 1] op 26 juli 2022 geen aangifte onroerend goed op naam van appellant is aangetroffen kan, anders dan appellanten menen, aan dit oordeel niet afdoen. Deze gegevens geven geen inzicht in de onroerende zaken die appellant in de te beoordelen periodes op zijn naam heeft gehad. Het dagelijks bestuur heeft dus terecht geconcludeerd dat appellanten hun bijstandbehoevenheid niet aannemelijk hebben gemaakt en mocht hierom van appellanten verlangen dat zij een machtiging verstrekken voor verder vermogensonderzoek in Turkije. De, overigens niet onderbouwde, stelling van appellanten dat zij vele schulden hebben en financieel aan de rand van de afgrond staan, maakt dat niet anders.

Conclusie en gevolgen

4.18.
Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 niet slagen. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvragen om bijstand in stand blijven.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en de betaalde griffierechten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

(getekend) E.J.M. Heijs

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en verdragsbepaling

Participatiewet
Artikel 17 eerste Pro en tweede lid
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. […]
2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 53a, eerste lid
1. Onverminderd 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van Pro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van Pro die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 54, derde lid
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8, eerste en tweede lid (zoals deze luiden in de Nederlandse vertaling)
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van 10 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3980 en 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2615.