Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant betwistte de vaststelling van het WIA-dagloon door het UWV, stellende dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld en dat sprake was van een medische afzakker, waardoor het dagloon op basis van een eerder hoger loon had moeten worden berekend. Tevens voerde appellant aan dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat het besluit van 20 september 2018 waarbij de Ziektewet-uitkering werd beëindigd, in rechte onaantastbaar was en niet evident onjuist. De Raad onderschreef deze overwegingen en concludeerde dat er geen reden was om terug te komen op dit besluit. Ook het beroep op de medische afzakker faalde, omdat de rechtspraak geen analoge toepassing van dit begrip op het dagloon toelaat.
De Raad oordeelde dat het UWV het dagloon correct had berekend volgens de wettelijke bepalingen, waarbij 5 februari 2021 als eerste ziektedag werd gehanteerd. Het lagere loon bij de latere werkgever maakte het besluit niet onredelijk bezwarend. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dagloon van € 87,08 voor de IVA-uitkering blijft ongewijzigd.