ECLI:NL:CRVB:2026:82

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
23/2159 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) door het Uwv

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellant ontving vanaf 13 juli 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering, die op 22 januari 2010 werd omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Tegelijkertijd ontving hij een toeslag op grond van de TW. In mei 2020 meldde appellant een nabetaling van arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP, wat leidde tot de intrekking van zijn toeslag per 22 januari 2010 en een terugvordering van € 69.977,21. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de zaak opnieuw beoordeeld. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden de toeslag heeft ingetrokken, omdat de inkomsten van appellant uit de WGA-vervolguitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen samen meer waren dan de bijstandsnorm. De Raad concludeerde dat er geen dringende redenen waren om van intrekking en terugvordering af te zien, en dat het Uwv zijn beleid consistent had toegepast. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor wat betreft het terugvorderingsbedrag, dat werd verlaagd naar € 69.977,21, maar het beroep tegen het bestreden besluit werd voor het overige ongegrond verklaard.

Uitspraak

23/2159 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2159 TW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juni 2023, 21/182 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv op goede gronden de toeslag van appellant op grond van de TW heeft ingetrokken per 22 januari 2010 en de betaalde toeslag over de periode van 22 januari 2010 tot en met 30 november 2019 tot een bedrag van € 69.977,21 van hem heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen naar aanleiding van zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [1] over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten in de gelegenheid gesteld de Raad te informeren of die tussenuitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaak. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2024. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
De Raad heeft het onderzoek heropend en schriftelijke vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen op 27 maart 2025 beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 10 december 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich weer laten vertegenwoordigen door mr. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant ontving vanaf 13 juli 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met ingang van 22 januari 2010 is deze uitkering omgezet naar een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In aanvulling daarop ontving appellant vanaf 22 januari 2010 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW).
1.2.
Op 8 mei 2020 heeft appellant het Uwv bericht dat hij van de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP) een nabetaling arbeidsongeschiktheidspensioen heeft ontvangen over de periode van 13 juli 2009 tot 1 december 2019 ten bedrage van € 111.651,32 bruto (€ 69.977,21 netto).
1.3.
Bij besluit van 9 juni 2020 (primair besluit 1) heeft het Uwv de toeslag die appellant ontving in aanvulling op zijn WGA-vervolguitkering met ingang van 22 januari 2010 ingetrokken en de over de periode van 22 januari 2010 tot en met 30 november 2019 betaalde toeslag ten bedrage van € 71.478,51 bruto van hem teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 17 juni 2020 (primair besluit 2) heeft het Uwv appellant verzocht om binnen zes weken na de datum van het besluit een bedrag van € 77.067,84 terug te betalen aan het Uwv en, indien appellant dit bedrag niet in één keer kan terugbetalen, voor het einde van deze termijn contact op te nemen met het Uwv om te bezien of er een betalingsregeling kan worden getroffen.
1.5.
Bij besluit van 8 december 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 2 gegrond verklaard, waarbij het invorderingsbedrag is verlaagd naar € 71.478,51 bruto, het bedrag van de terugvordering uit primair besluit 1. Het Uwv heeft ook de kosten van bezwaar vergoed.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat een ongehuwde, die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, recht heeft op een toeslag als hij recht heeft op een loondervingsuitkering en per dag een inkomen heeft dat lager ligt dan de bijstandsnorm. In artikel 6 van de TW en de artikelen 2:4 en 2:10 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) is bepaald wat als inkomen wordt aangemerkt. Uit deze artikelen volgt dat het Uwv eerst het totaal aan inkomen (uitkering en overig inkomen) van een betrokkene moet berekenen, voordat kan worden vastgesteld of recht bestaat op toeslag.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP op goede gronden gekwalificeerd als ‘overig inkomen’ in de zin van artikel 2:4, eerste lid, aanhef en onder m, van het AIB. De rechtbank heeft uit de toelichting afgeleid dat de wetgever onder ‘overig inkomen’ al het inkomen verstaat dat naast de uitkering wordt ontvangen. Dit betekent dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP in mindering mocht brengen op de toeslag die appellant ontving om zijn inkomen tot het sociaal minimum aan te vullen. Daarbij heeft de rechtbank vermeld dat de herziening beperkt is gebleven tot de ontvangen toeslag en dus geen invloed heeft op de WGA-vervolguitkering van appellant.
2.3.
De rechtbank heeft verder overwogen dat, op grond van artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW, de toeslag door het Uwv wordt herzien of ingetrokken als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Op grond van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) wordt van intrekking en herziening met terugwerkende kracht afgezien als de inlichtingenplicht niet is geschonden en het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag toeslag werd verstrekt. Deze beleidsregels moeten worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid dat naar vaste rechtspraak door de bestuursrechter terughoudend moet worden getoetst. Dat houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst dat zo’n beleid op consistente wijze is toegepast en of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden.
2.4.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv zijn beleid consistent heeft toegepast. Appellant heeft aan zijn inlichtingenplicht voldaan door de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP over de periode van 13 juli 2009 tot 1 december 2019 te melden bij het Uwv. De rechtbank heeft het niet aannemelijk geacht dat appellant, zoals hij stelt, voorafgaand aan het bericht van het ABP over de nabetaling niet wist dat hij in aanmerking kon komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen. Hij is namelijk degene die de verzekering heeft afgesloten en premies heeft betaald. Daarom moet worden vastgesteld dat het appellant duidelijk was of in ieder geval duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag toeslag werd verstrekt. Dat hij door het ABP niet (tijdig) is gewezen op zijn recht en de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag, maakt dit niet anders. Gelet hierop en overeenkomstig zijn beleid heeft het Uwv op goede gronden de toeslag herzien met terugwerkende kracht over de periode van 22 januari 2010 tot en met 30 november 2019.
2.5.
De rechtbank heeft verder overwogen dat op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a van de TW onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Uit de strekking van dit artikel volgt dat het Uwv in beginsel verplicht is tot terugvordering. Het Uwv kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien als sprake is van een dringende reden. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de door appellant aangevoerde omstandigheden niet als een dringende reden.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant acht het onredelijk dat het Uwv de aan hem betaalde toeslag heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat hij tot aan het moment van de nabetaling niet wist dat hij in aanmerking kon komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP. Het ABP heeft achteraf besloten om een grote groep personen, waaronder appellant, die indertijd geen aanvraag had gedaan, met terugwerkende kracht alsnog een arbeidsongeschiktheidspensioen toe te kennen. In het geval van appellant betreft dat een periode van tien jaar. Volgens appellant heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met zijn individuele omstandigheden. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het Uwv in sommige gevallen afziet van verdere terugvordering als in één keer tenminste 50% van de terugvordering is voldaan. Appellant heeft weliswaar de terugvordering meteen voldaan, maar is het niet eens met het volledig terugbetalen van de toeslag. Volgens appellant had het Uwv aanleiding moeten zien om wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft in zijn verweerschrift benadrukt dat het niet van belang is of appellant wist dat hij recht had op het arbeidsongeschiktheidspensioen. Het gaat erom of hij objectief gezien kon weten dat hij aanspraak kon maken op deze pensioenuitkering en dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor zijn toeslag. Volgens het Uwv had het appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij aanspraak had op het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP en dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor zijn toeslag. Daarom was het Uwv gehouden de toeslag vanaf 22 januari 2010 in te trekken en de over de periode van 22 januari 2010 tot en met 30 november 2019 betaalde toeslag terug te vorderen. Volgens het Uwv zijn er geen dringende redenen aanwezig om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat op grond van artikel 20, tweede lid, aanhef en onder d, van de TW het Uwv akkoord mag gaan met een afkoopsom als die tenminste de helft van de restsom bedraagt. Volgens de Beleidsregel terug- en invordering gaat het Uwv hiermee alleen akkoord als dit meer oplevert dan het reguliere invorderingstraject. In het geval van appellant is echter geen sprake geweest van een invorderingstraject, omdat appellant het verschuldigde bedrag in één keer heeft terugbetaald.
3.3.
Bij brief van 14 augustus 2024 heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd. Vanwege de impact die deze zaak heeft, ook in de publiciteit, heeft het Uwv besloten om het terug te betalen bedrag vast te stellen op het (netto) van het ABP ontvangen bedrag van € 69.977,21. Dit betekent dat het Uwv een bedrag van € 1.501,30 aan appellant zal terugbetalen.
3.4.
Tijdens de zitting van 18 december 2024 en in de brief van 27 maart 2025 heeft het Uwv zijn standpunt desgevraagd als volgt toegelicht en aangevuld.
3.4.1.
Het Uwv heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in aanmerking had kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen. Het Uwv heeft daarbij gewezen op het van toepassing zijnde pensioenreglement ABP en het feit dat op het salaris van appellant daadwerkelijk premie IPBW (invaliditeitspensioen bovenwettelijk, dit is een aanvulling op de wettelijke WIAuitkering) werd ingehouden. Het feit dat er destijds geen koppeling was in de gegevensuitwisseling tussen het Uwv en het ABP maakt dit niet anders. Als appellant ten tijde van de toekenning van de WIAuitkering het arbeidsongeschiktheidspensioen bij het ABP had aangevraagd, is aannemelijk dat dit pensioen ook was toegekend. In dit licht bezien had het appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij geen recht had op toeslag vanaf 22 januari 2010. Daarom kon de toeslag, met toepassing van artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels, worden ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 22 januari 2010.
3.4.2.
Het Uwv heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, in het geval moet worden geconcludeerd dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte toeslag was verleend, artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels van toepassing is. In dit artikellid is neergelegd dat, als aan de verzekerde over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt terwijl hem dat niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn, een andere uitkering wordt toegekend, de eerstgenoemde uitkering wordt ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop de andere uitkering ingaat. Artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels bevat beleid voor de situatie waarin sprake is van een nabetaling waarmee de terugvordering kan worden voldaan en herziening met terugwerkende kracht om die reden niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Onder het begrip ‘andere uitkering’ in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels wordt daarom verstaan elke andere uitkering die van invloed is op de hoogte van, of het recht op, de eerder toegekende uitkering. Hieronder kan volgens het Uwv ook worden verstaan een wettelijke uitkering op grond van een wet die niet door het Uwv wordt uitgevoerd. Een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP valt hier dus ook onder. Daarbij heeft het Uwv nog opgemerkt dat de lijst in artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregels niet limitatief is. Volgens het Uwv kon de toeslag daarom ook op grond van artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels met terugwerkende kracht vanaf 22 januari 2010 worden ingetrokken.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Het Uwv heeft in hoger beroep bij brief van 14 augustus 2024 zijn standpunt gewijzigd en het terugvordering- en invorderingsbedrag verlaagd naar € 69.977,21. Deze brief wordt aangemerkt als een gewijzigd besluit dat met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege in de procedure wordt betrokken.
4.2.
Het gaat in dit geding om de vraag of het Uwv op goede gronden de toeslag van appellant op grond van de TW met terugwerkende kracht vanaf 22 januari 2010 heeft ingetrokken en over de periode van 22 januari 2010 tot en met 30 november 2019 de betaalde toeslag tot een bedrag van € 69.977,21 van appellant heeft teruggevorderd.
4.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inkomen
4.4.
De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat een ongehuwde die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, recht heeft op een toeslag als hij recht heeft op een loondervingsuitkering en per dag een inkomen heeft dat lager ligt dan de toepasselijke bijstandsnorm. [2] In artikel 6 van de TW en artikel 2:4 van het AIB is bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Hieruit volgt dat het Uwv eerst het totaal aan inkomen van een betrokkene moet berekenen, voordat kan worden vastgesteld of recht bestaat op toeslag op grond van de TW.
4.5.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP op goede gronden heeft gekwalificeerd als ‘overig inkomen’ in de zin van artikel 6 van de TW en artikel 2:4 van het AIB wordt onderschreven. Artikel 2:4, eerste lid, aanhef en onder m, van het AIB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder ‘overig inkomen’ wordt verstaan ‘een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964’. Het arbeidsongeschiktheidspensioen dat appellant van het ABP heeft ontvangen valt onder artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, ten 6e van de Wet op de loonbelasting 1964.
4.6.
Omdat de inkomsten van appellant uit de WGA-vervolguitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP samen meer bedroegen dan de bijstandsnorm voor appellant, had hij vanaf 22 januari 2010 geen recht op een toeslag op grond van de TW.
Intrekking en terugvordering
4.7.
Artikel 11a van de TW bepaalt dat de toeslag door het Uwv wordt herzien of ingetrokken als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.8.
Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Hieruit volgt dat het Uwv in beginsel verplicht is tot terugvordering.
4.9.
Slechts indien sprake is van dringende redenen kan het Uwv op grond van artikel 11a, tweede lid van de TW en artikel 20, vijfde lid van de TW, besluiten om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien.
4.10.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak ervan.
4.14.
De Raad is van oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien.
4.8.
Met betrekking tot de toepassing van artikel 11a van de TW hanteert het Uwv een beleid zoals neergelegd in de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 april 2024 [4] zijn deze Beleidsregels aan te merken als binnenwettelijk beleid. Het uitgangspunt in de artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels dat het rechtszekerheidsbeginsel niet in de weg staat aan een herziening of intrekking met terugwerkende kracht als sprake is van een situatie waarin het een betrokkene ‘redelijkerwijs duidelijk’ moet zijn geweest dat hij te veel of ten onrechte uitkering ontving, acht de Raad in zijn algemeenheid een invulling van het rechtszekerheidsbeginsel die niet onevenredig is. De Raad is van oordeel dat hetzelfde geldt voor het in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels vervatte uitgangspunt.
4.9.
Het Uwv heeft tijdens de zitting van 10 december 2025 zijn primaire standpunt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in aanmerking had kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP en geen recht had op toeslag op grond van de TW vanaf 22 januari 2010, niet langer gehandhaafd. Het Uwv heeft daarbij in aanmerking genomen dat het ABP heeft erkend dat men ten aanzien van een groep van personen, waaronder appellant, in het verleden tekort is geschoten in de informatievoorziening met betrekking tot het aanvragen van een arbeidsongeschiktheidspensioen. Het ABP heeft daarom de schade die deze groep van personen heeft geleden als gevolg van de eenmalige nabetaling van arbeidsongeschiktheidspensioen vergoed. In het geval van appellant heeft het ABP de wettelijke rente over het nabetaalde arbeidsongeschiktheidspensioen (ad € 26.287,94) en de overige schade, zoals belastingschade (ad € 11.910,- netto) vergoed. Het Uwv is tot de conclusie gekomen dat onder deze omstandigheden niet kan worden volgehouden dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in aanmerking kon komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen en geen recht had op toeslag. Dit betekent dat artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels niet van toepassing is en geen (verdere) bespreking behoeft.
4.10.
De Raad is van oordeel dat ook artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels in dit geval niet van toepassing is. Uit de tekst van de Beleidsregels blijkt niet dat met een ‘andere uitkering’ in die bepaling ook een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP is bedoeld. Ook uit de toelichting bij de Beleidsregels kan dit niet worden afgeleid. Uit het feit dat in de gevallen zoals omschreven in artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering met de andere uitkering wordt verrekend, lijkt te volgen dat onder een ‘andere uitkering’ wordt verstaan een uitkering op basis van een wet die door het Uwv wordt uitgevoerd, zoals die zijn opgesomd in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Beleidsregels. Daar komt bij dat het Uwv nog heeft opgemerkt dat de onverschuldigde betaalde toeslag niet kan worden verrekend met de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP.
4.11.
Uit 4.9 en 4.10 volgt dat in dit geval de (artikelen 3 en 4 van de) Beleidsregels niet van toepassing zijn.
4.12.
Daarom moet rechtstreeks worden getoetst aan de wettelijke bepaling van artikel 11a van de TW en artikel 20 van de TW en de vraag worden beantwoord of er dringende redenen zijn om van de intrekking en terugvordering van de toeslag af te zien.
4.13.
De Raad is van oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien.
4.14.
Het Uwv heeft in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Wat betreft de oorzaak van de intrekking en terugvordering wordt vastgesteld dat appellant geen eigen aandeel heeft gehad in het ontstaan daarvan. Het Uwv heeft immers geconcludeerd dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij recht had op een arbeidsongeschiktheidspensioen en daardoor geen recht had op toeslag op grond van de TW. Daar staat tegenover dat ook het Uwv geen aandeel heeft gehad in het ontstaan. Het Uwv hoefde er niet op bedacht te zijn dat appellant, in aanvulling op zijn WGA-vervolguitkering, mogelijk nog aanspraak had op een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP.
4.15.
Van strijd met het rechtzekerheidsbeginsel is geen sprake. Daarbij is van belang dat appellant door de intrekking van de toeslag met terugwerkende kracht niet in een financieel nadeliger positie terecht is gekomen. Met de nabetaling van het arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP heeft appellant immers de ten onrechte betaalde toeslag volledig kunnen terugbetalen en is zijn financiële positie volgens zijn eigen berekeningen – nog zonder de door het ABP toegekende bedragen aan wettelijke rente en schadevergoeding – zelfs verbeterd. Onder deze omstandigheden is het niet in strijd met de rechtszekerheid of met een (andere) ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel dat het Uwv de toeslag van appellant met terugwerkende kracht vanaf 22 januari 2010 heeft ingetrokken en teruggevorderd. Bovendien heeft het ABP de wettelijke rente over het nabetaalde bedrag alsmede overige schade vergoed, terwijl appellant geen wettelijke rente heeft hoeven betalen aan het Uwv over de ten onrechte ontvangen toeslag. De (financiële) gevolgen van de intrekking en terugvordering en daarmee de uitkomst van de gemaakte belangenafweging acht de Raad niet onevenredig.

Conclusie en gevolgen

5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.14 is overwogen volgt dat het hoger beroep ten dele slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond voor zover daarbij het terugvorderings- en invorderingsbedrag is bepaald op € 71.478,51. Het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt voor het overige ongegrond verklaard. Het beroep tegen het nadere besluit van 14 augustus 2014, waarbij het terugvorderingsbedrag is verlaagd naar € 69.977,21, is ongegrond.
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten bedragen € 6,05 aan reiskosten in beroep en tweemaal € 25,32 aan reiskosten in hoger beroep, totaal € 56,69. Het Uwv dient ook het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 71.478,51;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het nadere besluit van 14 augustus 2024 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 56,69;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Toeslagenwet:

Artikel 2, tweede lid, aanhef en sub a en b:
2. Behoudens het derde lid hebben voorts recht op toeslag (…) een ongehuwde, die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die:
a. recht heeft op een loondervingsuitkering, en
b. per dag een inkomen heeft dat lager is dan:
1e. indien hij 23 jaar of ouder is: € 49,25.
Artikel 6, eerste lid, aanhef en sub b en tweede lid, en tweede lid, eerste volzin:
1. Als inkomen wordt aangemerkt:
b. voor een ongehuwde: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan.
Artikel 11a, eerste en tweede lid:
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. (…)
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 20, eerste, vijfde en zevende lid:
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a (…) onverschuldigd is betaald (…), wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
7. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten:

Artikel 2:4, eerste lid, aanhef en sub m:
1. Onder overig inkomen wordt verstaan:
m. een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 (…)

Wet op de loonbelasting 1964:

Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, ten 6e:
1. Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling:
a. die uitsluitend of, met het oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het treffen van:
6e. een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht (arbeidsongeschiktheidspensioen), (…)
Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006:
Artikel 1, eerste en tweede lid
1. Dit besluit verstaat onder:
a. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
b. schorsing: het tijdelijk stopzetten van de uitbetaling van een lopende uitkering;
c. opschorting: het tijdelijk niet uitbetalen van een uitkering die is toegekend maar waarvan nog geen uitbetaling heeft plaatsgevonden;
d. intrekking: het besluit een uitkering te beëindigen met ingang van een daarbij aangegeven dag;
e. herziening: het besluit een uitkering te verlagen met ingang van een daarbij aangegeven dag;
f. WW: Werkloosheidswet;
g. ZW: Ziektewet;
h. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
i. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
j. Waz: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
k. Wet Wajong: Wet werk en arbeidondersteuning jonggehandicapten;
l. WAZO: Wet arbeid en zorg;
m.TW: Toeslagenwet;
n. Wet IOW: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
2. In dit besluit wordt onder uitkering tevens verstaan: ziekengeld ingevolge de ZW en toeslag ingevolge de TW.
Artikel 3, derde lid:
Indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien, met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.
Artikel 4, eerste en tweede lid:
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 wordt, indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop UWV hem voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, doch niet later dan de dag met ingang waarvan de uitkering werd geschorst.
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt, indien aan de verzekerde over een periode waarover ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt terwijl hem dat niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn, een andere uitkering wordt toegekend, de eerstgenoemde uitkering ingetrokken of herzien met ingang van de dag waarop de andere uitkering ingaat. De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering wordt met de andere uitkering verrekend. Voor zover een hoger bedrag is uitgekeerd dan het bedrag van de andere uitkering wordt het meerdere niet teruggevorderd.

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de TW.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
4.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.