ECLI:NL:CRVB:2026:815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-pensioen vanaf 65ste verjaardag wegens verhoging pensioengerechtigde leeftijd
Appellant, geboren in 1958, verzocht om toekenning van AOW-pensioen vanaf zijn 65ste verjaardag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af op grond van artikel 7a van de AOW, waarin een stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is geregeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en liet het besluit in stand.
Appellant stelde in hoger beroep dat de verhoging in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en met artikel 14 van Pro de Grondwet. Hij voerde aan dat hij tijdens zijn werkzame leven premies betaalde met het vooruitzicht op AOW vanaf 65 jaar, wat volgens hem een bindend contract vormt.
De Raad oordeelde dat de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd een proportionele inmenging in het eigendomsrecht betreft en niet in strijd is met artikel 1 EP Pro. Toetsing aan artikel 14 Grondwet Pro is uitgesloten op grond van artikel 120 Grondwet Pro. Appellant maakte ook niet aannemelijk dat hij door de verhoging een onevenredig zware last draagt; hij had voldoende gelegenheid om zich op de verhoging voor te bereiden en leefde niet onder het sociaal minimum.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom op 18 juni 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van de AOW-aanvraag blijft in stand.