ECLI:NL:CRVB:2026:746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/939 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 6:162 BWArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens ontbreken causaal verband bij te laag vastgesteld WIA-dagloon

Appellant ontving een WIA-uitkering gebaseerd op een te laag vastgesteld dagloon. Na bezwaar en beroep werd het dagloon verhoogd en nabetalingen gedaan. Appellant vroeg vervolgens schadevergoeding voor pensioen- en belastingschade door vervroegde pensioenuitkering.

De rechtbank wees het verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij door het onrechtmatige besluit financieel gedwongen was het pensioen vervroegd in te laten gaan. De Raad onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het causaal verband tussen het besluit en de schade ontbreekt.

De Raad stelt dat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie en dat de keuze voor vervroegd pensioen een persoonlijke beslissing was, niet direct veroorzaakt door het onrechtmatige besluit. Ook de fiscale schade is niet onderbouwd.

Het hoger beroep wordt verworpen, de afwijzing van de schadevergoeding blijft in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de geclaimde schade.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/939 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2025, 23/3734 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding van appellant heeft afgewezen, omdat er geen causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige besluit, waarbij het WIA-dagloon te laag is vastgesteld, en de door appellant geclaimde pensioen- en belastingschade. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1957, ontving vanaf 1 februari 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het WWdagloon was vastgesteld op € 219,28 (maximum dagloon). Appellant heeft zich vanuit de situatie dat hij een WWuitkering ontving ziekgemeld. Bij besluit van 20 april 2021 is hem met ingang van die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend, gebaseerd op het maximum dagloon van € 223,40.
1.2.
Op 26 oktober 2022 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 4 januari 2023 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 17 januari 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 177,66.
1.3.
In februari 2023 heeft appellant het Bedrijfspensioenfonds Bouw gevraagd naar de mogelijkheden om zijn ouderdomspensioen vervroegd in te laten gaan. Appellant heeft ingestemd met het voorstel van het Bedrijfspensioenfonds en ontvangt vanaf 1 april 2023 een vervroegde pensioenuitkering.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2023 (besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 januari 2023 ongegrond verklaard.
1.5.
Hangende beroep heeft het Uwv met het besluit van 27 maart 2024 (besluit 2) besluit 1 gewijzigd en het dagloon vastgesteld op €201,00,-. Op 18 april 2024 heeft het Uwv laten weten dat de hoogte van de WW-uitkering in de referteperiode voor de WIA zal worden gecorrigeerd.
1.6.
Met het besluit van 2 mei 2024 (besluit 3) is het bezwaar van appellant opnieuw gegrond verklaard en is het WIA-dagloon vastgesteld op € 256,54 (maximum dagloon). Appellant heeft hierop nabetalingen ontvangen van zijn WW- en WIA-uitkering.
1.7.
Appellant heeft bij brief van 16 mei 2024 laten weten met besluit 3 te kunnen instemmen. Hij heeft wel een verzoek tot schadevergoeding ingediend. Omdat zijn pensioen eerder is ingegaan, ontvangt appellant vanaf januari 2025 een lager pensioen. Ook stelt appellant dat hij fiscale schade heeft geleden nu zijn pensioen eerder is ingegaan en hij een nabetaling van het Uwv heeft ontvangen.
1.8.
Bij besluit van 20 september 2024 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens het Uwv heeft appellant de fiscale schade (€ 8.200,-) niet onderbouwd. Bovendien zou die schade pas in 2025 kunnen worden vastgesteld. De geclaimde pensioenschade is volgens het Uvw niet direct en rechtstreeks veroorzaakt door het besluit van 4 januari 2023, maar het gevolg van de persoonlijke keuze van appellant het pensioen maximaal vervroegd in te laten gaan.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat schade is geleden die aan het Uwv kan worden toegerekend.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat niet ter discussie staat dat er sprake is van een onrechtmatig besluit en dat dit besluit kan worden toegerekend aan het Uwv. Evenmin staat ter discussie dat het verschil tussen de oorspronkelijk toegekende WGA-uitkering en de uiteindelijk (bij bestreden besluit 3) toegekende WGA-uitkering neerkomt op ongeveer € 600,- à € 640,- per maand. Uit de brief van 16 februari 2023 van het pensioenfonds volgt dat appellant vanaf 1 april 2023 (bij benadering) iedere maand € 2.231,65 netto aan pensioen heeft ontvangen. Ook is vermeld wat appellant (bij benadering) vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd 1 januari 2025 aan pensioen zal ontvangen.
2.2.
Appellant stelt dat hij schade heeft geleden, omdat hij vanaf 17 januari 2023 werd geconfronteerd met een aanzienlijke terugval in inkomen als gevolg van de onjuiste berekening van het dagloon. Om dat op te vangen, voelde hij zich genoodzaakt zijn pensioen vervroegd te laten uitkeren. Appellant heeft er niet voor gekozen om het pensioen gedeeltelijk te laten uitkeren dan wel een lening af te sluiten. Als gevolg van de vervroegde pensioenuitkering ontvangt hij vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd een lager pensioen.
2.3.
De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen aanleiding heeft gezien om de financiële situatie (inkomen en vaste lasten) ten tijde van het besluit te onderbouwen met stukken. Ook een berekening ontbreekt. Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard dat zijn vaste lasten (zoals hypotheek, gas/water/elektra, verzekeringen) totaal ongeveer € 975,- bedragen. Er is geen sprake van andere schulden. Zijn echtgenote ontving in die periode voor haar werkzaamheden ongeveer € 200,- à 300,- netto per maand, aldus appellant, en de in eerste instantie toegekende WIA-uitkering bedroeg ongeveer € 1.700,- netto per maand. Aan de hand van wat appellant heeft verklaard over de vaste lasten en het gezamenlijk inkomen, is nog niet onderbouwd dat de financiële situatie noopte tot het vervroegd laten uitkeren van zijn pensioen. Aldus is niet aangetoond dat hij schade zou lijden als gevolg van de te lage uitkering en dus genoodzaakt was om direct andere inkomstenbronnen aan te boren om die schade te vermijden.
2.4.
Nu niet is gebleken dat er een noodzaak bestond tot een directe aanvulling van de WGA-uitkering door het pensioen vervroegd te laten uitbetalen, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er schade is geleden, die aan het Uwv kan worden toegerekend.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat hij schade heeft geleden als gevolg van het foutief handelen door het Uwv. Volgens hem moet dit los worden gezien van zijn financiële situatie, omdat de uitkering ook niet afhankelijk is van de financiële situatie van het gezin. Appellant heeft een berekening overgelegd van de volgens hem geleden schade. Volgens appellant bedraagt zijn schade in totaal een bedrag van € 35.971,-. De schade bestaat uit een netto compensatie als gevolg van minder pensioen en een correctie van te veel betaalde belasting in 2024.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv komt de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het causale verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade ontbreekt.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het verzoek om vergoeding van schade heeft afgewezen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
5.2.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit of die andere onrechtmatige handeling, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [1]
5.3.
In deze zaak is niet in geschil dat het Uwv aansprakelijk is voor schade die appellant door het onrechtmatige besluit van 4 januari 2023 heeft geleden. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de schadepost in verband met het vervroegd laten ingaan van het pensioen niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatige besluit van 4 januari 2023 ontbreekt. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat de financiële situatie van appellant ten tijde van het vervroegd in laten gaan van zijn pensioen wel degelijk relevant was voor de beoordeling van het recht op schadevergoeding. De bewijslast dat sprake is van causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de door appellant gestelde schade ligt immers bij appellant. Appellant moet dus aannemelijk maken dat hij genoodzaakt was de terugval in inkomen vanwege het te laag vastgestelde dagloon op te vangen door het pensioen eerder in te laten gaan. Daarin is appellant niet geslaagd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen andere keuze had dan het pensioen vervroegd in te laten gaan en zijn pensioen ook volledig te laten uitbetalen, met als gevolg dat zijn pensioenuitkering na zijn pensioengerechtigde leeftijd lager is.
5.4.
Daarbij is van belang dat appellant weliswaar als gevolg van het onrechtmatige besluit van 4 januari 2023 geconfronteerd werd met een terugval in zijn inkomen van € 640,- per maand, maar duidelijk was dat de te overbruggen periode tot zijn pensioen een periode van twee jaar zou beslaan, zodat het verschil in inkomsten in totaal circa € 15.360,- zou bedragen. Dat appellant genoodzaakt was vanaf 1 april 2023 het volledige pensioen uit te laten betalen, is niet gebleken, omdat appellant ook in hoger beroep geen inzicht heeft willen gegeven in zijn inkomens- en vermogenspositie. Door zijn keuze genoot appellant bovendien in de maanden voor zijn pensioengerechtigde leeftijd een substantieel hoger inkomen dan in de periode dat hij een WWuitkering en ZWuitkering ontving. Appellant heeft ter zitting daarover verklaard dat de keuze voor het naar voren halen van het volledige pensioen mede was ingegeven vanuit de gedachte dat wat hij heeft ontvangen hem niet meer kon worden ontnomen.
5.5.
De Raad is van oordeel dat door appellant geclaimde pensioenschade in een te ver verwijderd verband staat tot het schadeveroorzakende besluit om aan het Uwv te kunnen toerekenen. Het Uwv heeft het verzoek om schadevergoeding dan ook in zoverre terecht afgewezen. [2] Dit geldt ook voor de belastingschade die appellant heeft geleden als gevolg van het naar voren halen van zijn pensioen.
5.6.
De geclaimde belastingschade die verband houdt met de ontvangen nabetalingen komt evenmin voor vergoeding in aanmerking, nu appellant deze schade niet heeft onderbouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv herhaald dat als appellant fiscale schade heeft geleden als gevolg van de nabetaling van de uitkering waarop appellant recht had, het Uwv deze schade zal vergoeden. Gelet op het feit dat appellant tot op heden heeft geweigerd de benodigde informatie te verstrekken, kan niet worden vastgesteld of appellant schade heeft geleden en zo ja, hoe hoog deze schade is.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om schade in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466 en 26 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:977.
2.Zie ook de uitspraak van de Raad van 25 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:754.