De appellant had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Uwv inzake zijn WW-uitkering. Na een tussenuitspraak heeft het Uwv in juli 2019 het bezwaar gegrond verklaard en de WW-uitkering aangepast. De appellant verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens vermeende financiële schade door de eerdere onrechtmatige besluiten, waaronder vervroegd pensioen en mindering van pensioeninkomsten.
De Raad beoordeelde het verzoek om schadevergoeding aan de hand van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en stelde vast dat het causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde schade niet aannemelijk was gemaakt. De appellant kon niet aantonen dat hij zonder de onrechtmatige besluiten niet vervroegd met pensioen zou zijn gegaan of dat de schade direct aan het Uwv toe te rekenen was.
Daarom werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het bezwaar gegrond was. Het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van het aantonen van causaal verband bij schadevergoeding na bestuursrechtelijke onrechtmatigheid en sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Raad.