ECLI:NL:CRVB:2026:74

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
24/2546 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWArt. 27 WWArt. 5 Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 Beleidsregel maatregelen UWV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens niet-naleving re-integratieverplichtingen

Appellant was sinds 1999 in dienst bij een overheidswerkgever en meldde zich in 2020 ziek. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst in 2022 ontving appellant een Ziektewetuitkering, die later werd omgezet in een WW-uitkering. De ex-werkgever, verantwoordelijk voor re-integratie, meldde verwijtbaar gedrag bij het UWV omdat appellant niet tijdig startte met een leerwerktraject en onvoldoende meewerkte aan re-integratieactiviteiten.

Het UWV legde daarom een maatregel op: verlaging van de WW-uitkering met 25% voor vier maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zonder geldige reden niet meewerkte en dat de gespreksverslagen van het re-integratiebedrijf betrouwbaar waren. Appellant voerde aan dat hij door juridische procedures, mantelzorgtaken en vakantie niet eerder kon starten en dat het traject niet passend was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant weliswaar pas in september 2023 met het leerwerktraject startte, maar dat hij per 1 mei 2023 had moeten starten en dat zijn persoonlijke omstandigheden geen geldige reden vormden om uitstel te rechtvaardigen. De Raad vond de maatregel proportioneel en in overeenstemming met de wet. Het hoger beroep werd verworpen en de verlaging van de uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 25% gedurende vier maanden wordt bevestigd wegens niet-naleving van re-integratieverplichtingen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 oktober 2024, 24/445 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
gemeente Haarlem (ex-werkgever)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant gedurende vier maanden met 25% heeft verlaagd, omdat hij de verplichting mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid niet is nagekomen. Appellant betwist dat hij deze verplichting niet is nagekomen. De Raad volgt het standpunt van appellant niet. Het Uwv heeft terecht de uitkering van appellant gedurende vier maanden met 25% verlaagd.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Namens de ex-werkgever heeft mr. L.M. Burger, advocaat, verzocht om als belanghebbende partij deel te nemen aan de procedure. De ex-werkgever heeft een zienswijze gegeven.
Appellant heeft desgevraagd geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan de exwerkgever ter kennisname te brengen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 november 2025. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. De exwerkgever heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam], werkzaam bij de gemeente Haarlem, en mr. Burger.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant was sinds 25 januari 1999 in dienst bij ex-werkgever. Op 23 september 2020 heeft hij zich ziekgemeld. Bij beschikking van 18 mei 2022 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen ex-werkgever en appellant met ingang van 1 juli 2022 ontbonden. Bij beschikking van 18 juli 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam deze beschikking bekrachtigd. [1]
1.2.
Het Uwv heeft appellant per 1 juli 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend en heeft deze ZW-uitkering per 21 september 2022 beëindigd. Het Uwv heeft appellant vervolgens per 21 september 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
1.3.
Ex-werkgever is overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de WW. De WW-uitkering van appellant wordt op ex-werkgever verhaald. Ex-werkgever is in haar hoedanigheid als overheidswerkgever op grond van artikel 72a van de WW verantwoordelijk voor de re-integratie van haar ex-werknemers. Vanaf 6 januari 2023 heeft ex-werkgever de begeleiding van de re-integratie van appellant uitbesteed aan [naam bedrijf 1] .
1.4.
Op 9 mei 2023 heeft ex-werkgever met het formulier ‘Melden verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject’ bij het Uwv melding gedaan van verwijtbaar gedrag door appellant bij [naam bedrijf 1] . In deze melding is onder meer vermeld dat appellant te kennen heeft gegeven dat hij niet in staat is om een opleiding te volgen voor mei 2023 en dat hij pas in september 2023 wil gaan starten met een aan hem aangeboden baan in verband met de afhandeling van juridische zaken tegen ex-werkgever. Omdat appellant al zijn tijd en energie steekt in juridische procedures tegen de gemeente en niet in het vinden van ander werk en (dus) niet dan wel onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie, heeft [naam bedrijf 1] besloten om met de bemiddeling te stoppen. Het Uwv heeft appellant verzocht daarop te reageren. Bij brief (met bijlagen) van 27 juni 2023 heeft appellant gereageerd.
1.5.
Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 juli 2023 tot 1 november 2023 met 25% verlaagd, omdat hij zich niet aan alle verplichtingen van de WW heeft gehouden.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2023 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding, een ondeugdelijke onderbouwing en een ondeugdelijke totstandbrenging van het bestreden besluit. De rechtbank heeft de door appellant aangevoerde argumenten onvoldoende overtuigend geacht, en geoordeeld dat deze bovendien enige concrete objectieve onderbouwing ontberen. De rechtbank is daarbij voorbijgegaan aan de door appellant naar voren gebrachte voorgeschiedenis, op grond waarvan appellant zich nog steeds onheus bejegend voelt door ex-werkgever en alle door haar ingehuurde partijen, nu niet in geschil is dat over genoemde voorgeschiedenis, namelijk het arbeidsrechtelijk geschil tussen appellant en ex-werkgever, inmiddels onherroepelijk is beslist.
2.2.
Bij de beoordeling van het beroep is de rechtbank uitgegaan van de informatie die uit de verschillende gespreksverslagen van [naam bedrijf 1] met appellant naar voren komt. De rechtbank heeft te kennen gegeven niet het standpunt van appellant te volgen dat [naam bedrijf 1] niet objectief zou zijn, nu daartoe door appellant geen overtuigende concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan de activiteiten die gericht waren op het inschakelen van arbeid en zijn re-integratie. Uit de gespreksverslagen volgt volgens de rechtbank duidelijk dat appellant, zonder geldende redenen, onvoldoende heeft gedaan om (passende) arbeid te verkrijgen en onvoldoende heeft geparticipeerd in aangeboden trajecten. Dat appellant heeft kunnen aantonen dat hij na april 2023 is blijven solliciteren, maakt dit volgens de rechtbank niet anders, omdat het ook gaat om het aannemen van werk of het participeren in de diverse aangeboden trajecten. Dat appellant niet verweten kan worden dat hij pas in september 2023 zou kunnen beginnen met het traject van [naam B.V.] ( [naam B.V.] ) heeft de rechtbank ook niet gevolgd. Dit volgt volgens de rechtbank in ieder geval niet uit het door appellant overgelegde emailbericht van 19 september 2023, waarin alleen staat dat appellant is begonnen met het opleidingsprogramma. Uit het gespreksverslag van 21 april 2023 blijkt dat appellant zelf heeft aangegeven niet eerder te willen starten vanwege de lopende bezwaar- en beroepszaken en zijn wens om op vakantie te gaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat het traject op initiatief van appellant dus pas in september 2023 is gestart. De rechtbank heeft geconcludeerd dat hieruit blijkt dat appellant niet voldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie en dat hem dat verweten kan worden. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het Uwv op juiste gronden een maatregel heeft opgelegd aan appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding, een ondeugdelijke onderbouwing en een ondeugdelijke totstandbrenging van het bestreden besluit. Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door hem naar voren gebrachte – relevante – voorgeschiedenis, waaruit blijkt dat het Uwv en ex-werkgever gezamenlijk partij voeren tegen hem. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de verplichting om mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid niet heeft geschonden. Hij heeft daarbij gewezen op het volgende. De rechtbank is volgens appellant bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de eenzijdig opgestelde gespreksverslagen van [naam bedrijf 1] , waarin een vertekend beeld is gegeven van de situatie, terwijl [naam bedrijf 1] bovendien niet objectief is. Appellant heeft verder aangevoerd dat tijdens de open dag van [naam stichting] op 7 maart 2023 bleek dat sprake was van zeer abstracte IT-richtingen die wat betreft kennis, kunde en interesse te ver van hem af lagen. Deze open dag vond bovendien plaats in de periode van zes maanden na toekenning van de WW-uitkering per 21 september 2022 waarin sprake moet zijn van passende arbeid (als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de WW). Appellant heeft verder een toelichting gegeven op de gang van zaken bij [naam B.V.] en de onmogelijkheid voor hem om per 1 mei 2023 te starten met het leerwerktraject. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat in mei 2023 drie zittingen zouden plaatsvinden in het kader van door hem aangespannen procedures, dat sprake was van in die periode toenemende mantelzorgtaken voor zijn bejaarde moeder en tante en dat hij toe was aan een lange(re) zomervakantieperiode. Het eerstvolgende leer-werktraject startte pas per september 2023. Ook heeft appellant gesteld dat [naam bedrijf 1] de door haar zelf nuttig geachte Beroepenoriëntatietest en LinkedIn-cursus nooit heeft aangeboden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat aan de maatregel ten grondslag is gelegd dat appellant de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW neergelegde verplichting mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid niet is nagekomen. In verband daarmee heeft het Uwv op grond van artikel 27, derde lid, van de WW en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten een maatregel opgelegd van 25% gedurende vier maanden.
Het standpunt van de ex-werkgever
5. Ex-werkgever heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv.

Het oordeel van de Raad

6. Voor een weergave van de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage.
6.1.
De gronden dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding, een ondeugdelijke onderbouwing en een ondeugdelijke totstandkoming van het bestreden besluit en dat rekening moet worden gehouden met de voorgeschiedenis, zijn een herhaling van wat appellant in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.
6.2.
Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting blijkt dat het Uwv de conclusie dat appellant de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW neergelegde verplichting niet is nagekomen, heeft gebaseerd op de volgende gedragingen van appellant:
  • Het niet per 1 mei 2023 starten met het leerwerktraject bij [naam B.V.] ;
  • Het niet starten met het oriëntatietraject bij [naam stichting] ;
  • Het door zijn houding en gedrag onvoldoende doen met de adviezen en het aanbod van ondersteuning door [naam bedrijf 1] , waaronder mede wordt begrepen dat door zijn houding en gedrag niet is toegekomen aan de in de beginfase van het traject afgesproken Beroepenoriëntatie en de cursus LinkedIn.
6.2.1.
Appellant heeft gesteld dat de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte is uitgegaan van de gespreksverslagen van [naam bedrijf 1] , omdat dit eenzijdig opgestelde verslagleggingen zijn waarmee een vertekend beeld is gegeven van de situatie. Deze stelling, wat daar ook van zij, treft geen doel. Uit de overige, voornamelijk door appellant aangedragen, stukken en de toelichting van appellant in hoger beroep (onder meer ter zitting) blijkt namelijk het volgende. Appellant heeft op 13 maart 2023 gesproken met een medewerker van [naam B.V.] . In vervolg daarop heeft appellant op 5 april 2023 een onlinekennisbijeenkomst van [naam B.V.] bijgewoond. Op 18 april 2023 heeft vervolgens een persoonlijk kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van [naam B.V.] en appellant. In de week van 24 april 2023 tot en met 28 april 2023 heeft [naam B.V.] appellant bericht dat hij kon deelnemen aan een leerwerktraject, waarvan de eerstvolgende start per 1 mei 2023 was. Appellant had eerder [naam B.V.] al te kennen gegeven dat er in de maand mei 2023 drie zittingen gepland stonden in door hem aangespannen rechtszaken, dat hij in die periode te maken had met (toenemende) mantelzorgtaken en dat bij hem de wens leefde voor een vakantie in de zomer van drie of vier weken. Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat hij met [naam B.V.] heeft afgesproken dat hij (pas) zou aansluiten bij het eerstvolgende leerwerktraject, dat – in verband met een zomerstop – zou starten per september 2023. Uit de stukken blijkt dat appellant per 5 september 2023 ook feitelijk is gestart met dit leerwerktraject en dat hij in 2023 een certificaat heeft behaald dat hij succesvol heeft deelgenomen aan de opleiding tot Service Monteur Hulpmiddelen.
6.2.2.
Uit 6.2.1 volgt dat appellant de mogelijkheid had per 1 mei 2023 te starten met het leerwerktraject bij [naam B.V.] . Van appellant mocht vanuit het oogpunt van de WW worden gevergd dat hij per die datum was gestart met dit leerwerktraject. Het lag op de weg van appellant om met [naam B.V.] af te stemmen op welke wijze hij, binnen het geldende programma van het leerwerktraject, (toch) de drie in mei 2023 geplande zittingen had kunnen bijwonen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het programma van het leerwerktraject het bij voorbaat onmogelijk maakte verlof te krijgen wegens zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. De door appellant genoemde en in die periode spelende mantelzorgtaken en zijn wens om gedurende enkele weken op zomervakantie te gaan, zijn vanuit het oogpunt van de WW geen geldende redenen om niet per 1 mei 2023 te starten met het leerwerktraject bij [naam B.V.] . Hieruit volgt dat appellant, door zijn keuze om niet per 1 mei 2023 maar (pas) per september 2023 te starten met het leerwerktraject bij [naam B.V.] , de verplichting van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW niet is nagekomen. Dit kan hem worden verweten. Gelet op artikel 27, derde lid, van de WW was het Uwv gehouden om een bedrag in mindering te brengen op de WW-uitkering van appellant. De maatregel is verder in overeenstemming met de regelgeving en is niet onevenredig. Het Uwv heeft daarom tot het opleggen van deze maatregel van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden kunnen besluiten.
6.3.
Gelet op wat is overwogen in 6.2.1 en 6.2.2 behoeft wat partijen over de andere gedragingen hebben aangevoerd geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verlaging van de WW-uitkering met 25% gedurende vier maanden in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW

De werknemer is verplicht mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.

Artikel 27 van Pro de WW

(…)
3. Het Uwv weigert - voor zover hier van belang - de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 26 van Pro de WW.
(…)
6. Een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
(…)
8. Het Uwv kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(…)
10.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het derde, vierde en zesde lid.
Artikel 5, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
De verplichtingen (…) worden ingedeeld in de derde categorie voor zover zij betrekking hebben op het meewerken aan scholing, opleiding of activiteiten, bedoeld in de hoofdstukken VI en XA van de WW, gericht op inschakeling in de arbeid (…).
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
De hoogte en duur van een (…) op te leggen maatregel wordt (…) vastgesteld op 25% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van de Beleidsregel maatregelen Uwv

Voor zover in dit besluit niet anders is bepaald, stelt het Uwv de hoogte en de duur van een op te leggen maatregel vast op 25 procent van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden bij het niet naleven van een verplichting uit de derde categorie.

Artikel 72a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW

De overheidswerkgever heeft tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II.

Artikel 5.17, derde lid, van het Besluit SUWI

Een overheidswerkgever kan het Uwv op verzoek of uit eigen beweging kennis geven van het gegronde vermoeden dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de WW door het Uwv.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 18 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1723.