ECLI:NL:CRVB:2026:724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen aanmaning tot betaling
Appellant ontving bijstand en werd later geconfronteerd met terugvorderingsbesluiten en een bestuurlijke boete. Na diverse rechtsmiddelen bleef de schuld openstaan. Op 14 december 2023 ontving appellant een brief van het college waarin hij werd aangemaand tot betaling van een openstaande schuld van € 14.567,59 binnen twee weken, met de waarschuwing dat bij uitblijven van betaling een dwangbevel zou volgen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat het een appellabel invorderingsbesluit betrof. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief een aanmaning was, waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de brief wel degelijk een besluit was waartegen beroep mogelijk moest zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief voldoet aan de definitie van een aanmaning zoals bedoeld in art. 4:112 Awb Pro, en dat op grond van art. 8:4 lid 1 sub b Awb Pro geen beroep mogelijk is tegen een aanmaning. Ook bezwaar is op grond van art. 7:1 Awb Pro uitgesloten. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en liet de uitspraak van de rechtbank in stand.
Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 mei 2026.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aanmaning wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.