Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
25/1103 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:112 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:4 lid 1 sub b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen aanmaning tot betaling

Appellant ontving bijstand en werd later geconfronteerd met terugvorderingsbesluiten en een bestuurlijke boete. Na diverse rechtsmiddelen bleef de schuld openstaan. Op 14 december 2023 ontving appellant een brief van het college waarin hij werd aangemaand tot betaling van een openstaande schuld van € 14.567,59 binnen twee weken, met de waarschuwing dat bij uitblijven van betaling een dwangbevel zou volgen.

Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat het een appellabel invorderingsbesluit betrof. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief een aanmaning was, waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat de brief wel degelijk een besluit was waartegen beroep mogelijk moest zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief voldoet aan de definitie van een aanmaning zoals bedoeld in art. 4:112 Awb Pro, en dat op grond van art. 8:4 lid 1 sub b Awb Pro geen beroep mogelijk is tegen een aanmaning. Ook bezwaar is op grond van art. 7:1 Awb Pro uitgesloten. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en liet de uitspraak van de rechtbank in stand.

Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 mei 2026.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aanmaning wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

25/1103 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2025, 24/2246 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant tegen de brief van 14 december 2023. Appellant heeft aangevoerd dat deze brief een appellabel invorderingsbesluit is. Appellant krijgt geen gelijk. De brief van 14 december 2023 is een aanmaning om te betalen en het college heeft het bezwaar tegen deze brief daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft appellant met een brief van 6 februari 2026 (regiebrief) laten weten hoe hij het geschil voorshands ziet, vragen gesteld over de ontvankelijkheid van het bezwaar en appellant in de gelegenheid gesteld hierop een toelichting te geven. Appellant heeft hierop gereageerd en te kennen gegeven dat een onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Het college heeft ook toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen.
De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 15 juni 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Met een besluit van 28 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 18 april 2019, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken. Met een besluit van 6 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 juli 2019, heeft het college de over de periode van 1 januari 2018 tot en met 4 december 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.725,51 van appellant teruggevorderd. In dit besluit staat onder meer dat als er niet binnen twee weken contact tussen het college en appellant tot stand komt, appellant wordt verzocht om het openstaande bedrag binnen zes weken na dagtekening van het besluit over te maken en dat de betaling uiterlijk op 17 april 2019 moet zijn ontvangen.
1.2.
Met een uitspraak van 20 februari 2020 heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 18 april 2019 en 10 juli 2019 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak in hoger beroep bevestigd. [1]
1.3.
Met een besluit van 4 augustus 2020 heeft het college aan appellant een bestuurlijke boete van € 1.270,- opgelegd. In dit besluit staat onder meer dat als er niet binnen twee weken contact tussen het college en appellant tot stand komt, appellant wordt verzocht om het openstaande bedrag binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking over te maken en dat de betaling uiterlijk op 15 september 2020 moet zijn ontvangen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Met een brief van 14 december 2023 heeft het college appellant het volgende meegedeeld:
“U heeft nog een schuld bij de gemeente Zaanstad, Sector Services, van € 14.567,59.
Wij hebben u eerder een brief gestuurd over deze schuld.
In deze brief vroegen wij u binnen 6 weken te betalen of een afspraak over de betaling met ons te maken. Wij hebben geen betaling ontvangen. Ook heeft u met ons geen afspraak gemaakt over hoe u gaat betalen.
De hele schuld moet binnen twee weken na de datum van deze brief op onze rekening staan
U moet het bedrag betalen op IBAN NL43 INGB 0000637700 van de gemeente Zaanstad. Vergeet niet uw cliëntnummer te noemen: […].
Als u niet het hele bedrag op tijd betaalt en wij horen niets van u, ontvangt u een dwangbevel
Daarna dragen wij de schuld over aan een deurwaarder. De kosten van de deurwaarder zijn voor uw rekening.”
1.5.
Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 26 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In het bestreden besluit staat onder meer dat in mei 2023 is geconstateerd dat appellant tussen mei 2019 en augustus 2020 in totaal € 427,92 heeft afgelost (terugvordering en boete) en dat de achterstand op de openstaande vordering op dat moment € 14.567,59 bedroeg. Aan de nietontvankelijkverklaring van het bezwaar ligt ten grondslag dat de brief van 14 december 2023 “een aanmaning/herinnering tot terugbetaling van de openstaande vorderingen [is] en geen nieuwe rechtsgevolgen naar voren brengt ten opzichte van de eerder[e besluiten] die [...] inmiddels in rechte onaantastbaar zijn geworden”.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de brief van 14 december 2023 een appellabel invorderingsbesluit is en dat de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan is aan zijn beroepsgronden over de hoogte en de samenstelling van het ingevorderde bedrag.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.1.1.
In de regiebrief heeft de Raad appellant vragen gesteld over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de brief van 14 december 2023 en appellant in de gelegenheid gesteld hierop een toelichting te geven. Appellant heeft de vragen over de ontvankelijkheid van het bezwaar niet beantwoord, maar alleen zijn inhoudelijke bezwaren tegen de terugvordering herhaald.
4.1.2.
Het terugvorderingsbesluit van 6 maart 2019 staat in rechte vast. De brief van 14 december 2023 moet worden aangemerkt als een aanmaning om te betalen als bedoeld in artikel 4:112 van Pro de Awb, nu de inhoud van deze brief geheel past binnen de in dit artikel gegeven omschrijving. De in de brief gestelde termijn om te betalen bedraagt twee weken en in de brief staat ook dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door uit te voeren invorderingsmaatregelen op kosten van appellant, de schuldenaar. In artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van Pro de Awb. Gelet op artikel 7:1 van Pro de Awb is tegen de genoemde aanmaning ook geen bezwaar mogelijk. [2] De rechtbank is dan ook terecht niet ingegaan op de beroepsgronden over de hoogte en de samenstelling van het ingevorderde bedrag.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b:
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 of Pro een dwangbevel.
Artikel 4:112:
1. Het bestuursorgaan maant de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
2. Bij wettelijk voorschrift kan een andere termijn worden vastgesteld.
3. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Artikel 7:1:
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, […]
[…]

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 18 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2238.
2.Vergelijk de uitspraken van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:411, en van 12 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3951.