ECLI:NL:CRVB:2026:71
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering per 2 juni 2010 ten onrechte in stand gelaten
Appellante werkte als schoonmaakster en meldde zich in 2005 ziek. Na een WIA-beoordeling in 2007 werd vastgesteld dat zij 0% arbeidsongeschikt was en ontving zij een WW-uitkering. In 2008 meldde zij zich opnieuw ziek en kreeg zij een ZW-uitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 2 juni 2010 op grond van de conclusie dat appellante geschikt was voor haar arbeid.
Appellante stelde dat de functies waarop de WIA-beoordeling was gebaseerd per 2 juni 2010 niet langer passend waren vanwege toegenomen beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte had geconcludeerd dat appellante geschikt was voor haar arbeid. De medische en arbeidskundige beoordeling toonde aan dat ten minste twee van de oorspronkelijk geselecteerde functies niet meer geschikt waren, waardoor niet aan de wettelijke voorwaarden voor beëindiging van de ZW-uitkering was voldaan. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat de ZW-uitkering tot de maximale duur van 104 weken moet worden betaald, inclusief wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De ZW-uitkering per 2 juni 2010 is ten onrechte beëindigd en moet worden voortgezet met betaling van wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.