ECLI:NL:CRVB:2026:71
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van de ZW-uitkering van appellante ten onrechte in stand gelaten door het Uwv
In deze zaak gaat het om de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van appellante per 2 juni 2010 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante stelt dat de functies die ten grondslag lagen aan de eerdere WIA-beoordeling in 2007 niet langer passend zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellante op 2 juni 2010 geschikt is voor 'zijn arbeid', zoals bedoeld in artikel 19 van de ZW. De Raad volgt het standpunt van appellante en vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het besluit van het Uwv in stand had gelaten. De Raad oordeelt dat de ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd en dat appellante recht heeft op nabetaling van de uitkering, inclusief wettelijke rente. Tevens wordt het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, die in totaal € 6.469,- bedragen. De uitspraak is gedaan op 15 januari 2026.