ECLI:NL:CRVB:2026:63

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
22/3806 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Wajong-uitkering op basis van arbeidsvermogen en medische onderbouwing

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant, geboren in 1991, had in maart 2019 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, waarbij hij stelde dat hij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte vanwege coeliakie en ME/CVS. Het Uwv concludeerde echter dat appellant op de datum in geding over arbeidsvermogen beschikte, wat leidde tot de weigering van de uitkering. De rechtbank Noord-Nederland had het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond verklaard, en appellant ging in hoger beroep.

De Raad heeft de zaak behandeld en de argumenten van appellant, waaronder een expertiserapport van verzekeringsarts drs. D.N.M. Mul, in overweging genomen. Appellant betoogde dat de rechtbank ten onrechte het rapport van de deskundige H.J. Hullen had gevolgd, die concludeerde dat appellant vier uur per dag belastbaar was. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank terecht het oordeel van de deskundige had gevolgd, aangezien deze zijn conclusies goed had onderbouwd en appellant geen nieuwe medische gegevens had aangedragen die aanleiding gaven tot een andere conclusie.

Daarnaast heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De Raad oordeelde dat, hoewel de procedure langer had geduurd dan gebruikelijk, de vertraging grotendeels aan appellant zelf te wijten was door uitstelverzoeken. Daarom werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de weigering van de Wajong-uitkering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 oktober 2022, 21/1036 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij in maart 2019 (toen hij studerend was) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken, waaronder een expertiserapport van verzekeringsarts drs. D.N.M. Mul ingebracht. Het Uwv heeft daarop gereageerd.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedag] 1991, heeft met een door het Uwv op 25 juni 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant lijdt aan coeliakie en ME/CVS. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een internist van de Vermoeidheidskliniek. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 8 september 2020 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 15 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Appellant heeft beroep ingesteld. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bedrijfs- en verzekeringsarts H.J. Hullen als deskundige benoemd. Deze heeft op 21 april 2022 gerapporteerd. Het Uwv en appellant hebben hierop gereageerd. Naar aanleiding van deze reacties heeft de deskundige op 19 augustus 2022 een aanvullend rapport opgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak de rechtbank het oordeel van een door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. Deze bijzondere omstandigheden doen zich in het geval van appellant niet voor. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellant forse functionele en energetische beperkingen heeft, waarbij hij alleen in een rustig tempo lichte activiteiten kan uitvoeren, die zowel mentaal als fysiek slechts een geringe belasting vormen. Bij passend werk is hij verspreid over de dag tenminste vier uur per dag belastbaar. Ook kan hij zeker één uur per dag activiteiten verrichten zonder dat een substantiële onderbreking daarbij noodzakelijk is. Deze conclusie is overeenkomstig de onderbouwing van de verzekeringsartsen van het Uwv.
2.2.
De deskundige heeft in de reactie van appellant geen aanleiding gezien voor een andere conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen nieuwe medische gegevens aangedragen die aanleiding zouden kunnen vormen voor nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellant heeft ook niet gemotiveerd waarom de deskundige onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen en waarom hij door de behandelmethoden zoals aangegeven door de deskundige geen vertrouwen in hem heeft. Het enkele gegeven dat de deskundige minder vergaande beperkingen aanneemt voor wat betreft zijn belastbaarheid is daarvoor onvoldoende.
2.3.
De rechtbank heeft ook geen innerlijke tegenstrijdigheid in de opmerkingen van de deskundige gezien. Niet aannemelijk is geworden dat de deskundige relevante aspecten van appellants gezondheidstoestand heeft gemist of onderschat. Het doen van nader medisch onderzoek door een andere deskundige is daarom niet geïndiceerd. Dit betekent dat de rechtbank de conclusies van de deskundige, dat appellant beschikt over arbeidsvermogen, kan volgen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een toestand van geen benutbare mogelijkheden.
2.4.
De rechtbank kan daarnaast de arbeidsdeskundigen van het Uwv volgen dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Het Uwv heeft daarmee terecht geweigerd appellant een Wajonguitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte alle conclusies van de deskundige heeft overgenomen en ten onrechte heeft besloten geen tweede deskundige in te schakelen, die meer deskundig is op het gebied van ME/CVS. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in hoger beroep een expertiserapport overgelegd van verzekeringsarts Mul. Hierin staat dat appellant wegens post-exertionele malaise (PEM) niet vier uur per dag belastbaar is. De stelling van Mul dat appellant nog ‘graded exercise therapy’ kan volgen is achterhaald. Deze therapie kan juist tot verergering van klachten leiden. Appellant heeft daarnaast al cognitieve gedragstherapie gevolgd, zonder resultaat.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige, waarin is geconcludeerd dat appellant vier uur per dag belastbaar is en in staat is een uur aaneengesloten te werken, heeft gevolgd. Deze grond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
5.2.
Met juistheid heeft de rechtbank gewezen op het uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport van Hullen geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Hullen heeft de in het dossier aanwezige medische informatie bestudeerd en er vond een spreekuurcontact plaats met appellant. Appellant heeft kennis kunnen nemen van de inhoud van de anamnese en hierop feitelijke correcties en eventuele aanvullingen kunnen geven. De deskundige is in zijn aanvullende rapport ingegaan op de reacties van appellant en de verzekeringsarts bezwaar en beroep en heeft zijn conclusies gemotiveerd gehandhaafd.
5.3.
Wat appellant in hoger beroep tegen het deskundigenrapport van Hullen naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om aan de juistheid van de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Hullen te twijfelen. Uit het in hoger beroep ingebrachte expertiserapport van verzekeringsarts Mul blijkt dat zij, evenals de verzekeringsartsen van het Uwv en de deskundige van de rechtbank, uitgaat van een verminderde belastbaarheid van appellant als gevolg van vermoeidheidsklachten sinds maart 2019. Op dat moment studeerde appellant en werkte hij naast zijn studie in dienstbetrekking voor 32 uur per week. Evenals de deskundige Hullen betwijfelt verzekeringsarts Mul of ME/CVS als enige aandoening de door appellant ervaren klachten en belemmeringen kan verklaren. De ondervonden beperkingen
kunnenbij ME/CVS passen, aldus verzekeringsarts Mul, en lijken voor een groot deel te kunnen passen bij PEM, een bekend symptoom bij ME/CVS. Verzekeringsarts Mul komt vervolgens tot de conclusie dat de PEM-symptomen met recuperatiebehoefte appellant weliswaar niet verhinderen om een uur aaneengesloten te werken, maar appellant daarmee niet vier uur per dag belastbaar is. Dat verzekeringsarts Mul tot een andere weging van de belastbaarheid komt dan de deskundige Hullen, geeft de Raad geen aanleiding om te oordelen dat in hoger beroep niet langer kan worden vastgehouden aan de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige. De Raad acht daarbij van belang dat uit de medische informatie in het dossier niet blijkt - en ook ter zitting voor de Raad niet duidelijk is geworden - dat bij appellant in juni 2020 door de Vermoeidheidskliniek ook PEM is vastgesteld. Zowel verzekeringsarts Mul als de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Hullen sluiten daarbij niet uit dat bij appellant naast ME/CVS tevens sprake is van een psychische component als verklaring van de ervaren belemmeringen. Gelet hierop gaat de Raad, in navolging van de rechtbank, uit van de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Hullen, dat appellant vier uur per dag belastbaar was en in staat was een uur aaneengesloten te werken, zoals ook het Uwv heeft geconcludeerd.
5.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat appellant op de datum in geding (25 juni 2020) beschikte over arbeidsvermogen en hij om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. Of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbesproken blijven.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5.5.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
5.6.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 15 oktober 2020 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en (afgerond) drie maanden verstreken. Er is dan in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met (naar boven afgerond) een jaar en drie maanden. In deze zaak doen zich echter bijzondere omstandigheden voor die aanleiding geven tot verlenging van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Appellant heeft op 28 augustus 2023 en opnieuw op 15 januari 2024 verzocht om uitstel voor het indienen van een expertiserapport. Op 30 mei 2024 heeft hij te kennen gegeven het rapport op korte termijn in te dienen. Hij heeft dit rapport uiteindelijk op 5 november 2024 in het geding gebracht. Het tijdsverloop van (afgerond) een jaar en drie maanden tussen het eerste uitstelverzoek op 28 augustus 2023 tot het indienen van het expertiserapport op 5 november 2024 komt voor rekening van appellant. Rekening houdende met deze periode is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Uit 5.6 volgt dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek tot betaling van een vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.