Appellant ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering en kreeg per 1 juni 2024 een Belgisch rustpensioen toegekend. Het UWV herzag daarop de WAO-uitkering en bracht het Belgische pensioen in mindering. Appellant maakte bezwaar, stellende dat het pensioen onterecht werd gekort en dat dit een inbreuk op zijn eigendomsrecht vormt.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Belgisch rustpensioen als ouderdomsuitkering moet worden aangemerkt volgens het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en WIA-uitkeringen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellant af.
De Raad benadrukt dat de samenloopregeling bedoeld is om te voorkomen dat een verzekerde een hoger inkomen geniet dan het oorspronkelijke loon. Het feit dat het pensioen is opgebouwd via premies door appellant verandert hier niets aan. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen. De herziening van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.