Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:60

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
22/1571 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 lid 1 AwbArt. 8:113 lid 2 AwbArt. 27 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over toekenning WGA-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing

In deze zaak staat de vraag centraal of het UWV terecht een WGA-uitkering heeft toegekend aan een ex-werkneemster met een arbeidsongeschiktheid van 100% vanaf 8 juli 2020. Appellante betwist dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen deugdelijk zijn onderbouwd.

De Raad heeft een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige benoemd die concludeerde dat er onvoldoende objectieve medische informatie aanwezig is om de door het UWV aangenomen forse beperkingen te onderbouwen. De deskundige stelt dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet gevolgd kan worden en dat een urenbeperking van twee uur per dag en tien uur per week onvoldoende wordt ondersteund.

De Raad oordeelt dat het UWV de gebreken in het bestreden besluit niet heeft hersteld en vernietigt het besluit. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het de mogelijkheid heeft een psychiatrisch expertiseonderzoek te laten verrichten. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht worden vergoed.

De uitspraak bevestigt het belang van een gedegen medische onderbouwing bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid en benadrukt de rol van onafhankelijke deskundigen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het besluit van het UWV tot toekenning van de WGA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende medische onderbouwing en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 april 2022, 21/1380 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv met ingang van 8 juli 2020 terecht een WGAuitkering op grond van de Wet WIA aan een ex-werkneemster van appellante heeft toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Volgens appellante ligt hieraan geen zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag en zijn de aangenomen beperkingen niet deugdelijk onderbouwd. De Raad heeft een deskundige ingeschakeld die heeft vastgesteld dat er te weinig objectieve medische informatie aanwezig is voor wat betreft de medische situatie van ex-werkneemster op de datum in geding en dat de wel aanwezige medische informatie niet de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen aard en ernst van de psychopathologie onderbouwt. De deskundige volgt daarom niet de in de FML beschreven belastbaarheid. De Raad volgt de conclusie van de deskundige en draagt het Uwv op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante.

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 7 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan. [1]
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep exwerkneemster op een spreekuur onderzocht en een rapport opgesteld. Het Uwv heeft naar aanleiding van dit rapport geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.
Appellante heeft op dit rapport gereageerd.
De Raad heeft M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 1 juli 2025 rapport uitgebracht.
Appellante en het Uwv hebben op het rapport van de deskundige gereageerd.
Partijen hebben te kennen gegeven dat zij geen gebruik willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Raad heeft daarom een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.
1.2.
In de tussenuitspraak is geoordeeld dat het bestreden besluit niet berust op een voldoende draagkrachtige motivering. De Raad heeft in de eerste plaats geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 december 2022 niet afdoende heeft gemotiveerd waarom kon worden afgezien van een fysiek spreekuur in bezwaar. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onderbouwd waarom het inwinnen van informatie uit de behandelend sector, bijvoorbeeld bij de huisarts van ex-werkneemster, niet van toegevoegde waarde zou kunnen zijn. Verder heeft de Raad geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op basis van welke medische aandoening(en) en in welke mate van ernst van die aandoening(en) hij tot zijn conclusies met betrekking tot de duurbelastbaarheid (twee uur per dag en tien uur per week) van exwerkneemster is gekomen. Evenmin heeft hij onderbouwd waarom, in het licht van de al aangenomen beperkingen, een vergaande urenbeperking van toepassing is. Het Uwv is opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep exwerkneemster op 9 april 2024 op een spreekuur onderzocht. Naar aanleiding van dit onderzoek en bestudering van het door exwerkneemster toegezonden behandelplan van eerstelijnspsycholoog/gezondheidspsycholoog drs. H.J. Egging, van 27 januari 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 april 2024 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat het standpunt te wijzigen.
1.4.
Appellante heeft in haar zienswijze aangevoerd dat het Uwv met het rapport van 17 april 2024 de gebreken uit het bestreden besluit niet heeft hersteld. Uit dat rapport volgt volgens appellante niet dat op basis van medisch objectiveerbare informatie een zeer forse urenbeperking geïndiceerd was bij exwerkneemster. De medische informatie van de psycholoog geeft daarvoor geen aanleiding.
1.5.
Gelet op de verschillende standpunten van partijen over de medische beperkingen van exwerkneemster heeft de Raad aanleiding gezien Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als onafhankelijke deskundige te benoemen en haar verzocht alleen dossieronderzoek te verrichten, omdat ex-werkneemster zelf geen partij is in deze procedure. De deskundige heeft in haar rapport van 1 juli 2025 geconcludeerd dat de beschreven forse beperkingen in het functioneren van ex-werkneemster, waaronder de zeer forse urenbeperking onvoldoende gedragen wordt door de aanwezige (medische) informatie en de anamnestisch verkregen informatie van ex-werkneemster. De in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juni 2020 beschreven belastbaarheid kan volgens de deskundige op basis van de aanwezige gegevens niet zonder meer worden gevolgd. Het ontbreekt volgens de deskundige aan voldoende objectieve medische informatie over de medische situatie van exwerkneemster rondom de datum in geding wat betreft aard en ernst van de aanwezig te achten pathologie om de gestelde forse beperkingen te onderbouwen. De beschreven forse vermindering in functionele mogelijkheden is volgens de deskundige ook niet volledig in lijn met de beschreven activiteiten van exwerkneemster destijds. Bij gebrek aan voldoende objectieve medische informatie heeft de deskundige geen gefundeerde uitspraak kunnen doen over de belastbaarheid van exwerkneemster op de datum in geding. Wel kan volgens de deskundige worden gesteld dat de aanwezige gegevens een urenbeperking tot twee uur per dag en tien uur per week onvoldoende ondersteunen. Er is onvoldoende grond vanuit de objectieve medische informatie en vastgestelde diagnose als ook vanuit de beschreven activiteiten door ex-werkneemster zelf om de belastbaarheid als dermate gering in te schatten. Volgens de deskundige is niet direct navolgbaar waarom ex-werkneemster minder dan vier uur per dag belastbaar zou zijn geweest. Ook kon er geen sprake meer geacht worden van een acute decompensatie na een incident (dat niet in januari 2019 maar ergens tussen september 2019 en januari 2020 had plaatsgevonden) op datum in geding, omdat het incident waaraan gerefereerd wordt zes tot negen maanden eerder had plaatsgevonden.
1.6.
Voor het kunnen doen van een preciezere uitspraak met betrekking tot de belastbaarheid van exwerkneemster op de datum in geding is volgens de deskundige aanvullende informatie van de behandelaar over de periode van januari 2020 t/m juli 2020 noodzakelijk. Gelet op de onduidelijkheid met betrekking tot de aanwezige stoornis(sen) op de datum in geding, en indien dit niet opgehelderd zou worden met aanvullende informatie, zou een psychiatrisch expertiseonderzoek daarbij van aanvullende waarde zijn.
1.7.
Appellante voelt zich met het rapport van de deskundige van 1 juli 2025 gesterkt in haar beroepsgronden en heeft de Raad verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en te bepalen dat de (financiële) rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor appellante met terugwerkende kracht ongedaan worden gemaakt. Dit zou betekenen dat exwerkneemster niet onder het financieel risico van appellante komt met ingang van 8 juli 2020.
1.8.
Het Uwv heeft gesteld dat uit het rapport van de deskundige volgt dat onduidelijkheid bestaat over de mate van psychische ziekte van exwerkneemster op 8 juli 2020 en dat de deskundige weliswaar stelt dat de FML niet klopt, maar dat zij niet aangeeft welke beperkingen wel juist zijn. Gelet op het feit dat de deskundige geen concrete beperkingen en evenmin een concrete urenbeperking heeft vastgesteld, kan geen FML worden opgesteld of gecorrigeerd. Het Uwv heeft benadrukt dat een psychiatrisch expertiseonderzoek deze duidelijkheid kan geven.

Het oordeel van de Raad

2.1.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft het dossier, met alle daarin aanwezige medische informatie, bestudeerd. Op basis van haar onderzoek en alle beschikbare informatie heeft zij deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom zij tot de conclusie is gekomen dat voldoende objectieve medische informatie ontbreekt om de gestelde forse beperkingen, waaronder de forse urenbeperking, te onderbouwen. Weliswaar heeft de deskundige in haar rapport niet uiteengezet welke beperkingen volgens haar zouden moeten worden aangenomen en dus ook niet hoeveel uren exwerkneemster volgens haar belastbaar was, maar dit is onder meer het gevolg van het ontbreken van voldoende medische informatie van behandelaars van exwerkneemster over de relevante periode.
2.2.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om een psychiater als deskundige te benoemen om een psychiatrisch expertiseonderzoek te laten verrichten, reeds omdat exwerkneemster niet als belanghebbende deelneemt aan deze procedure, waardoor de in te schakelen deskundige zich zal moeten beperken tot een dossieronderzoek. Een dergelijk specialistisch onderzoek zal daardoor worden belemmerd en de verwachting bestaat dat ook dan geen goede uitspraak over de aandoeningen en beperkingen kan worden gedaan.
2.3.
De Raad stelt vast dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken ‑ met uitzondering van het onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep van exwerkneemster op een spreekuur ‑ niet zijn hersteld. De door de Raad benoemde deskundige heeft vastgesteld dat voor de door het Uwv vastgestelde beperkingen en met name voor de forse urenbeperking een medische onderbouwing ontbreekt. De Raad ziet daarin aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. De Raad zal het Uwv opdragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het Uwv heeft daarbij de mogelijkheid om alvorens opnieuw te beslissen een psychiatrisch expertiseonderzoek te laten verrichten om tot een juiste FML te komen. Op grond van artikel 27 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ex-werkneemster als verzekerde verplicht aan een dergelijk onderzoek mee te werken.

Conclusie en gevolgen

3. Het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het besluit van 13 januari 2021 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor een reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 april 2024 en 0,5 punt voor de zienswijze op het rapport van de deskundige, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 4.670,-.
5. Tot slot moet het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 januari 2021;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
- bepaalt dat tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend beroep kan worden ingesteld bij de Raad;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.670,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 908,- aan appellante vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.CRvB 7 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:284.