ECLI:NL:CRVB:2026:590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op achttiende verjaardag
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat haar arbeidsongeschiktheid op haar achttiende verjaardag minder dan 25% was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd gewezen op de laattijdige aanvraag en het ontbreken van medische stukken uit de relevante periode rond 1981/1982.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen had dan het UWV aannam en dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijke deskundige benoemde. De Raad benoemde vervolgens een psychiater en een verzekeringsarts die rapporten uitbrachten waaruit bleek dat appellante weliswaar beperkingen had, maar dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad oordeelde dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage juist had vastgesteld en dat de functies passend waren, ook gezien de beperkingen in sociale interactie. De Raad wees het hoger beroep af, bevestigde de weigering van de uitkering en kende appellante een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan appellante toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op de achttiende verjaardag van appellante.