Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:586

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
23/1130 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en vergoeding proceskosten en schadevergoeding redelijke termijn

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing tegemoet aan de bezwaren van appellant, waarna appellant het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad beoordeelde de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep, inclusief kosten voor deskundigenrapporten, en veroordeelde het UWV tot betaling van deze kosten. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de gehele procedure met ruim elf maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.000,-, waarvan het UWV en de Staat ieder een deel voor hun rekening nemen.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De Staat werd ook veroordeeld in een deel van de proceskosten en de schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 mei 2026.

Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

23/1130 WIA
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2023, 21/4026 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Voor appellant is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.
De Raad heeft het onderzoek heropend en J.J.D. Tilanus, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 16 december 2024 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft zijn zienswijze op het deskundigenrapport gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een nadere zitting van 6 augustus 2025. Voor appellant is verschenen [naam gemachtigde] , kantoorgenoot van [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen.
Het Uwv heeft op 11 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellant heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Proceskosten
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 september 2025 aan zijn bezwaren tegemoet is tegemoetgekomen.
Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie op een vraagstelling van de rechtbank, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 14 maart 2024 en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting op 6 augustus 2025, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.670,- voor verleende rechtsbijstand.
Appellant heeft ook verzocht om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor de door hem in beroep en hoger beroep ingediende rapporten van psychiater W.H.J. Mutsaers en neuroloog J.U.R. Niewold. Deze kosten komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. De kostenvergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). Daarbij geldt een maximaal uurtarief van € 136,19 in 2022 en € 142,75 in 2023 en dient te worden afgerond op hele en halve uren. De door het Uwv te vergoeden kosten voor het rapport van Mutsaers van 3 november 2022 bedragen daarom € 2.859,99 (21 x € 136,19) en voor het aanvullende rapport van Mutsaers van 21 augustus 2023 komt een bedrag van € 1.284,75 (9 x € 142,75) voor vergoeding in aanmerking. Voor het rapport van Niewold van 23 november 2023 gaat het om een bedrag van € 713,75 (5 x € 142,75). Dit bedrag wordt op grond van artikel 15 van Pro het Bts verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd en komt daarmee uit op € 863,64. De te vergoeden bedragen voor de rapporten van Mutsaers worden niet verhoogd, omdat uit de door appellant overgelegde facturen niet blijkt dat door Mutsaers omzetbelasting in rekening is gebracht. De vergoeding voor deskundigenkosten bedraagt daarmee in totaal € 5.008,38.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [1]
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [2]
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van de ex-werkgever van appellant op 7 oktober 2020 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 11 september 2025 zijn vier jaar en ruim elf maanden verstreken. Er is noch in de zaak, noch in de opstelling van appellant een aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift door het Uwv bijna acht maanden geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase vier jaar en ruim drie maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [3] Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 166,67 (2/12e van € 1.000,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 833,33 (10/12e van € 1.000,-).
Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet betalen komt hiermee uit op € 9.911,88.
Griffierecht
Het Uwv dient het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 166,67;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 833,33;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 9.911,88;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.CRvB 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.