ECLI:NL:CRVB:2026:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar die geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek van appellante tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure van bezwaar en beroep ruim zeven jaar had geduurd, wat de redelijke termijn met bijna vier jaar overschreed.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het griffierecht, en zowel het UWV als de Staat tot betaling van een schadevergoeding, waarbij de verdeling van de vergoeding was gebaseerd op de duur van de bestuurlijke en rechterlijke fases. De Staat werd veroordeeld tot het grootste deel van de schadevergoeding. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn na intrekking van het hoger beroep.