ECLI:NL:CRVB:2026:579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake haar WIA-uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, waarna zij het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep moest vergoeden, inclusief kosten voor ingediende rapporten. Daarnaast werd vastgesteld dat de totale procedure van ruim zes jaar de redelijke termijn van vier jaar aanzienlijk overschreed, wat leidde tot een schadevergoeding van €3.000,-. Deze vergoeding werd verdeeld tussen het UWV en de Staat volgens de jurisprudentiële methode.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €2.911,76 en het UWV tot €88,24 aan schadevergoeding. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellante toegekend. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, na instemming van partijen met het niet houden van een zitting.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.