Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;
- bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college ontdekte via onderzoek dat zij niet hadden gemeld dat zij beschikten over vermogen in Turkije, opbrengsten uit de verkoop van ondernemingen en campers, een lening aan een derde, en werkzaamheden die appellant had verricht. Hierdoor werd het recht op bijstand niet correct vastgesteld.
Het college blokkeerde in 2021 de bijstand en trok deze later in over de periode van 2015 tot 2021, met terugvordering van €110.189,24. Appellanten voerden aan dat de terugvordering te hoog was en dat er dringende redenen waren om deze te matigen, onder meer vanwege medische klachten en beslaglegging.
De Raad oordeelde dat het niet relevant is of het om een klein of groot aantal schendingen gaat; het gaat erom dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld door de schendingen. Het bezit van een zomerhuisje in Turkije, dat niet was gemeld, was voldoende om de intrekking te rechtvaardigen. De waarde van het huisje kon niet worden vastgesteld aan de hand van de ozb-waarde, omdat deze niet overeenkomt met de verkoopwaarde.
De Raad vond dat het college de terugvordering terecht heeft ingesteld en dat de aangevoerde dringende redenen niet opwegen tegen de schendingen. De medische klachten waren niet gerelateerd aan de terugvordering en de beslagvrije voet biedt bescherming tegen onredelijke financiële gevolgen. De hoger beroepen werden afgewezen en de intrekking en terugvordering bleven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemeld vermogen en inkomsten blijven in stand.