ECLI:NL:CRVB:2026:53
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang; schadevergoeding redelijke termijnoverschrijding
Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld. Tijdens de procedure kwam het UWV met een tegemoetkomend besluit waarin appellant alsnog in aanmerking werd gebracht voor een IVA-uitkering, waardoor het oorspronkelijke besluit niet langer gehandhaafd werd. Hierdoor ontbrak het appellant aan procesbelang voor het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
De procedure duurde bijna zes jaar, waarbij de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep werd overschreden met ongeveer twee jaar. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een schadevergoeding van € 500 per half jaar passend is, wat resulteerde in een totale vergoeding van € 2.000. Deze vergoeding werd verdeeld tussen het UWV en de Staat, waarbij het UWV € 500 en de Staat € 1.500 moest betalen.
Daarnaast werden het UWV en de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, waarbij het UWV ook het betaalde griffierecht moest vergoeden. De uitspraak bevestigt de toepassing van jurisprudentie over redelijke termijnen en schadevergoeding bij overschrijding daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; schadevergoeding en proceskosten worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.