ECLI:NL:CRVB:2026:53

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
21/2045 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 mei 2021. Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv, dat op 10 juni 2025 geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Raad oordeelde dat het Uwv de arbeidsongeschiktheid van appellant niet langer handhaafde en hem per 24 augustus 2016 in aanmerking bracht voor een IVA-uitkering, wat de onrechtmatigheid van het eerdere besluit bevestigde.

Daarnaast heeft de Raad de Staat der Nederlanden en het Uwv veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De procedure heeft bijna zes jaar geduurd, terwijl de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet langer dan vier jaar mag duren. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. De kosten van de procedure zijn ook vergoed, met een totaalbedrag van € 5.370,50 voor het Uwv en € 233,50 voor de Staat. De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige afhandeling van procedures en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 mei 2021, 20/4355 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van de door appellant geleden schade.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak via videobellen behandeld op een zitting van 9 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
De Raad heeft een nadere vraagstelling opgesteld aan psychiater drs. R. Hondius. De vraagstelling is door het Uwv naar psychiater Hondius doorgeleid. Op 14 maart 2023 is een reactie van psychiater Hondius ontvangen. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft psychiater dr. G.F. Koerselman als deskundige benoemd.
De deskundige heeft op 23 december 2024 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd.
Het Uwv heeft op 10 juni 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft hierop gereageerd.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Puister.

OVERWEGINGEN

Het oordeel van de Raad

1. Met het besluit van 10 juni 2025 is het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. Dit betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, dat het nadere besluit niet in dit geding wordt betrokken. Appellant heeft geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep. Het Uwv heeft het besluit van 10 mei 2020 waarbij de arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op een percentage van 67,85% niet langer gehandhaafd en appellant per 24 augustus 2016 alsnog in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Hiermee staat de onrechtmatigheid van het besluit van 10 mei 2020 vast. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Proceskosten
2. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 3.269,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 9 december 2021 en 0,5 punt voor de nadere zitting op 3 december 2025 en tweemaal 0,5 punt voor het indienen van zienswijzen na de verslagen van de deskundigenonderzoeken), in totaal € 5137,- voor verleende rechtsbijstand. De kosten van bezwaar zijn reeds vergoed in het bestreden besluit.
Redelijke termijn
3.1.
Wat betreft het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.
3.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [1]
3.3.
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [2]
3.4.
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 19 juni 2019 tot aan de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit op 10 juni 2025 heeft de procedure bijna zes jaar geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-.
3.5.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 [3] en is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Geen aanleiding bestaat om deze vergoeding in het voorliggende geval op een hoger bedrag vast te stellen. In de vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan is, anders dan appellant heeft betoogd, een financiële prikkel gelegen nu het bedrag aan schadevergoeding per half jaar verder oploopt. Appellant heeft verder niet onderbouwd dat sprake was van extra spanning en frustratie zodat hierin ook geen reden is gelegen voor toekenning van een hogere schadevergoeding.
3.6.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna een jaar geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase bijna vijf jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 [4] . Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 500,- (6/24e van € 2.000,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.500,- (18/24e van € 2.000,-).
3.7.
Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde per punt van € 934,-, met wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet betalen komt hiermee uit op € 5.370,50.
3.8.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 5.370,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
3.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
4.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.