ECLI:NL:CRVB:2026:512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beperking intrekking en terugvordering WIA-uitkering tot periode werkzaamheden coffeeshop
Appellant ontving sinds 2007 een WGA-uitkering. Na een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenkingen van witwassen en overtreding van de Opiumwet startte het UWV een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. Het UWV trok de WIA-uitkering over 2015 tot 2019 in en vorderde deze terug, omdat appellant inkomsten had uit ondernemingen, waaronder een coffeeshop.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant feitelijk leidinggevende was van de ondernemingen en het UWV de terugvordering mocht baseren op onderzoeksrapporten en strafdossier. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn werkzaamheden beperkt waren en dat de ondernemingen op naam van zijn (ex-)partner stonden.
Het UWV wijzigde zijn standpunt en beperkte de intrekking primair tot werkzaamheden voor de coffeeshop vanaf 1 januari 2015. De Raad oordeelde dat alleen voor de periode vanaf de opening van de coffeeshop op 1 december 2016 aannemelijk is gemaakt dat appellant werkzaamheden verrichtte. Voor de periode daarvoor en na 12 juni 2019 was dit niet aannemelijk.
De Raad vernietigde de eerdere besluiten en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen waarin de intrekking en terugvordering beperkt wordt tot 1 december 2016 tot 12 juni 2019. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering wordt beperkt tot de periode van 1 december 2016 tot en met 12 juni 2019.