Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:512

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25/157 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet WIAArt. 76 Wet WIAArt. 77 Wet WIAArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking intrekking en terugvordering WIA-uitkering tot periode werkzaamheden coffeeshop

Appellant ontving sinds 2007 een WGA-uitkering. Na een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenkingen van witwassen en overtreding van de Opiumwet startte het UWV een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. Het UWV trok de WIA-uitkering over 2015 tot 2019 in en vorderde deze terug, omdat appellant inkomsten had uit ondernemingen, waaronder een coffeeshop.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant feitelijk leidinggevende was van de ondernemingen en het UWV de terugvordering mocht baseren op onderzoeksrapporten en strafdossier. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn werkzaamheden beperkt waren en dat de ondernemingen op naam van zijn (ex-)partner stonden.

Het UWV wijzigde zijn standpunt en beperkte de intrekking primair tot werkzaamheden voor de coffeeshop vanaf 1 januari 2015. De Raad oordeelde dat alleen voor de periode vanaf de opening van de coffeeshop op 1 december 2016 aannemelijk is gemaakt dat appellant werkzaamheden verrichtte. Voor de periode daarvoor en na 12 juni 2019 was dit niet aannemelijk.

De Raad vernietigde de eerdere besluiten en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen waarin de intrekking en terugvordering beperkt wordt tot 1 december 2016 tot 12 juni 2019. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en griffierecht van appellant.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering wordt beperkt tot de periode van 1 december 2016 tot en met 12 juni 2019.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/157 WIA, 25/926 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 december 2024, 22/2185 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 april 2026

SAMENVATTING

Het Uwv heeft in deze zaak de WIA-uitkering van appellant over de periode van 3 juli 2015 tot en met 12 juni 2019 ingetrokken en teruggevorderd. De Raad oordeelt dat het Uwv alleen voor de periode van 1 december 2016 tot en met 12 juni 2019 aannemelijk heeft gemaakt dat appellant werkzaamheden heeft verricht en draagt het Uwv op om een nieuw besluit te nemen waarin de intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering wordt beperkt tot die periode.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Leon, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 1 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld en de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 16 juli 2007 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadat bleek dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen appellant liep vanwege verdenkingen van onder andere witwassen en overtreding van de Opiumwet, is het Uwv een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte uitkering. Het Uwv heeft informatie uit de strafzaak ontvangen. Ook heeft een medewerker van de afdeling handhaving van het Uwv, samen met een politiefunctionaris, twee keer met appellant gesproken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 19 oktober 2021.
1.2.
In de onderzoeksbevindingen heeft het Uwv aanleiding gezien om bij besluit van 3 november 2021 de WIA-uitkering over de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 juni 2019 in te trekken. De over deze periode ontvangen uitkering, tot een bedrag van € 121.455,10 bruto, heeft het Uwv van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant in de genoemde periode naast zijn WIA-uitkering inkomsten had ter hoogte van het door de politie berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 312.482,-.
1.3.
Met een besluit van 11 november 2021 heeft het Uwv bepaald dat appellant het bedrag van € 121.455,10 binnen zes weken moet betalen.
1.4.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 3 november 2021 en 11 november 2021. Met een besluit van 17 mei 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren gegrond verklaard in zoverre dat het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd is verlaagd naar € 113.284,79 bruto. Hierop is een bedrag van € 541,- aan kostenvergoeding in mindering gebracht. Het resterende bedrag van € 112.743,79 moet binnen zes weken worden betaald en zal bovendien zoveel mogelijk verrekend worden met de reguliere betaling van de uitkering. Aan bestreden besluit 1 ligt een aanvullend onderzoeksrapport van 28 maart 2022 ten grondslag. In dit rapport is geconcludeerd dat appellant als feitelijk leidinggevende moet worden aangemerkt van vier ondernemingen, waaronder een coffeeshop, te weten [naam B.V.] , die op naam stonden van zijn (ex-)partner. Het inkomen uit deze ondernemingen is daarom aan appellant toegerekend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 1 in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op basis van de onderzoeksbevindingen terecht heeft vastgesteld dat appellant de feitelijk leidinggevende was van de onderzochte ondernemingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de hoogte van het daaruit verkregen voordeel op grond van de aanwezige informatie mogen bepalen. Anders dan appellant kennelijk aanneemt, is de bevoegdheid van het Uwv om ten onrechte als uitkering betaalde bedragen terug te vorderen niet afhankelijk van de uitkomst van een eventuele strafrechtelijke procedure. Zoals elk besluit moet het besluit tot terugvordering wel zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. Wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen grond gegeven om te oordelen dat dit bij bestreden besluit 1 niet het geval zou zijn. Appellant heeft ook geen concrete onderbouwing gegeven van zijn standpunt dat het besluit niet juist is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv zijn besluit heeft mogen baseren op de aanwezige onderzoeksrapporten en de stukken uit de strafzaak. De conclusie dat hij de feitelijk leidinggevende was van de vier ondernemingen, heeft hij betwist. In dit verband heeft appellant naar voren gebracht dat hij weliswaar contacten had met leveranciers van de coffeeshop, maar dat dit gebeurde na overleg met of op verzoek van zijn (ex-)partner, die deze contacten zelf ook had. De beslissingen over investeringen werden door de (ex-)partner, al dan niet in samenspraak met appellant, genomen. Dat appellant verantwoordelijk was voor het aansturen en opleiden van het personeel klopt niet. Verder heeft appellant gesteld dat zijn (ex-)partner de opbrengsten, voor zover contant, zelf afstortte op haar eigen bankrekening en dat zij dus als begunstigde had te gelden.
De gewijzigde beslissing op bezwaar
4.1.
Met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 1 april 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de motivering van zijn besluit gewijzigd. Het Uwv heeft in dit besluit aan de intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering primair ten grondslag gelegd dat appellant werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de coffeeshop. Doordat appellant dit niet aan het Uwv heeft doorgegeven, heeft hij in elk geval vanaf 1 januari 2015 de inlichtingenverplichting overtreden. Als gevolg hiervan kan het recht op WIA-uitkering over de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 juni 2019 niet worden vastgesteld en moet de gehele uitkering over deze periode worden terugbetaald. Omdat in bestreden besluit 1 het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 113.284,79 bruto, heeft het Uwv de terugvordering beperkt tot dit bedrag.
4.2.
Voor zover het bovenstaande geen standhoudt, heeft het Uwv zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vier ondernemingen die op naam stonden van zijn (ex-)partner feitelijk door appellant werden gedreven en dat daarom de belastbare winst uit deze ondernemingen aan hem moet worden toegerekend. Omdat de ondernemingen vanaf 3 juli 2015 bekend zijn bij de Belastingdienst, moet de belastbare winst vanaf die datum op de WIA-uitkering in mindering worden gebracht. Dit zou leiden tot een terugvordering van € 111.564,18 over de periode van 3 juli 2015 tot en met 31 december 2019.
De reactie van appellant
4.3.
Appellant is het ook met bestreden besluit 2 niet eens. Hij heeft aangevoerd dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de stukken uit de strafzaak. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht dan wel dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de ondernemingen die op naam stonden van zijn (ex-)partner. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering. Volgens appellant was zijn betrokkenheid bij de bedrijven beperkt en was hij slechts incidenteel in de coffeeshop aanwezig. De ondernemingen stonden uitsluitend op naam van zijn (ex-)partner en de winst werd alleen aan haar uitgekeerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep verschillende processen-verbaal ingediend van getuigenverhoren uit de strafzaak en een schriftelijke verklaring die zijn (ex-)partner in de strafrechtelijke procedure heeft ingediend. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat de bedrijven van zijn (ex-)partner in juli 2015 zijn gestart en de coffeeshop pas eind november 2016 is geopend. Het Uwv heeft niet inzichtelijk gemaakt wat voor werkzaamheden hij zou hebben verricht in de periode voordat de coffeeshop open was. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van het Uwv heeft appellant er verder nog op gewezen dat de ondernemingen in juni 2019 zijn gesloten zodat van omzet geen sprake meer was.
Gewijzigd standpunt van het Uwv
4.4.
In reactie op vragen van de Raad heeft het Uwv in een brief van 30 oktober 2025 te kennen gegeven dat voor wat betreft het primaire standpunt bij nader inzien uit moet worden gegaan van de periode van 3 juli 2015 tot en met 12 juni 2019. Het terug te vorderen bedrag komt dan uit op € 108.046,79 bruto. Het subsidiaire standpunt heeft het Uwv ongewijzigd gehandhaafd. Het Uwv heeft dit gewijzigde standpunt niet neergelegd in een gewijzigde beslissing op bezwaar.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Nu bestreden besluit 1 in de aangevallen uitspraak in stand is gelaten, komt die uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen. Omdat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
5.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij de aangevallen uitspraak.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
5.3.
Uit het onderzoeksrapport van 19 oktober 2021 blijkt dat het Uwv informatie uit de strafzaak heeft ontvangen en diverse bronnen heeft geraadpleegd. Op 21 juni 2019 en 29 oktober 2019 is appellant door een politiefunctionaris en een onderzoeker van het Uwv gehoord over de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte WIA-uitkering. Gedurende de bezwaarprocedure heeft het Uwv een ‘proces-verbaal bevindingen feitelijk leidinggeven Rodenburg ’ van 9 november 2020 van de politie ontvangen alsmede informatie van de Belastingdienst over de vier ondernemingen. Naar aanleiding hiervan is het aanvullende onderzoeksrapport van 28 maart 2022 opgesteld. Bij een brief van 5 april 2022 is dit rapport aan appellant toegezonden en is hem medegedeeld dat het voornemen bestond om het besluit van 3 november 2021 te wijzigen. Appellant is in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen het voorgenomen besluit binnen vier weken kenbaar te maken. Hierbij is ook vermeld dat als appellant binnen de gestelde termijn bezwaren zou indienen, hij in de gelegenheid zou worden gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting. Appellant heeft niet op de brief van 5 april 2022 gereageerd, waarna het Uwv in bestreden besluit 1 heeft beslist conform het in die brief beschreven voornemen. Gelet op het voorgaande is appellant door het Uwv voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stukken uit de strafzaak. Het onderzoek van het Uwv is zorgvuldig geweest.
De intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering
5.4.
Een besluit tot intrekking en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat als gevolg van het door appellant niet nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 27 van Pro de Wet WIA zijn recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. [1]
5.5.
De Raad is van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan een onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vanaf de opening van de coffeeshop en de periode daarvoor. Tussen partijen is niet in geschil dat de coffeeshop eind november 2016 is geopend.
5.6.
Voor wat betreft de periode vanaf de opening van de coffeeshop is van belang dat appellant tijdens het verhoor op 29 oktober 2019 heeft verklaard dat hij zijn (ex-)partner heeft geholpen met de exploitatie van de coffeeshop. Het betrof grotendeels hulp bij de zogenoemde ‘achterdeur’ (de bevoorrading van de coffeeshop) en het daarbij behorende computersysteem. Dat appellant zich bezighield met de ‘achterdeur’, vindt ook steun in de stukken die het Uwv van de politie heeft ontvangen en de aanvullende stukken die appellant in hoger beroep heeft ingediend. Bovendien heeft appellant ter zitting bevestigd dat hij werkzaamheden heeft verricht voor de coffeeshop, zoals het in ontvangst nemen van pakketjes, het testen van de hasj en het overleggen met andere personeelsleden. Verder blijkt uit het dossier dat in de polisadministratie een inkomstenverhouding tussen appellant en de coffeeshop is geregistreerd vanaf 1 december 2016. Dat appellant de hulp aan zijn partner niet zag als werk en dit volgens hem slechts een beperkte omvang had, doet er niet aan af dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht die hij bij het Uwv had moeten melden. Daar komt bij dat appellant geen concrete verifieerbare en relevante gegevens heeft verstrekt over de omvang van zijn werkzaamheden en dat uit het ‘procesverbaal bevindingen feitelijk leidinggeven [naam appellant] ’ kan worden afgeleid dat de omvang van zijn werkzaamheden voor de coffeeshop aanzienlijk was en dat hij zich intensief bezighield met de bedrijfsvoering. Doordat appellant het Uwv niet heeft geïnformeerd over de door hem verrichte werkzaamheden, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het had hem redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op zijn recht op uitkering en de hoogte van de uitkering. Gelet hierop heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat het recht op WIA-uitkering niet kan worden vastgesteld, voor zover het ziet op de periode vanaf 1 december 2016.
5.7.
Uit de stukken in het dossier, waaronder de stukken uit het strafdossier, kan echter niet worden afgeleid dat appellant ook in de periode voorafgaand aan de opening van de coffeeshop werkzaamheden heeft verricht. Het Uwv heeft dit ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.
5.8.
Uit 5.6 en 5.7 volgt dat het primaire standpunt van het Uwv dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, standhoudt voor de periode van 1 december 2016 tot 12 juni 2019.
5.9.
Gelet hierop moet het subsidiaire standpunt van het Uwv beoordeeld worden voor zover dit ziet op de periode van 3 juli 2015 tot 1 december 2016 en de periode van 13 juni 2019 tot 31 december 2019. Het Uwv heeft ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op door de politie afgeluisterde telefoongesprekken. Uit het ‘proces-verbaal bevindingen feitelijk leidinggeven [naam appellant] ’ van 9 november 2020 blijkt dat het gaat om telefoongesprekken die hebben plaatsgevonden in de periode van half april 2019 tot begin juni 2019. Het Uwv heeft niet geconcretiseerd op welke wijze uit deze telefoongesprekken kan worden afgeleid dat appellant in de periode tot 1 december 2016 de ondernemingen die op naam stonden van zijn (ex-)partner feitelijk heeft gedreven. Ook anderszins is dit onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat geldt ook voor de periode van 13 juni 2019 tot 31 december 2019, waarin de coffeeshop gesloten was en appellant tot eind oktober 2019 gedetineerd was. Niet voor de hand ligt dat na 12 juni 2019 nog sprake is geweest van aan appellant toe te rekenen winst uit de vier ondernemingen.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Uit wat is overwogen in 5.5 tot en met 5.9 volgt dat de intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering beperkt moet blijven tot de periode van 1 december 2016 tot en met 12 juni 2019. De Raad zal daarom ook het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) in beroep en € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 2, 0,5 punt voor de reactie op de brief van het Uwv van 30 oktober 2025 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) in hoger beroep, in totaal € 4.670,- voor verleende rechtsbijstand.
6.2.
Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 mei 2022 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2025 gegrond en vernietigt dit besluit;
- draagt het Uwv op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat tegen dit nieuwe besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.670,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 193,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en H.G. Rottier en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) G.T. Hunsel

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA:
De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een Pro uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA:
Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
[…]
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA:
Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1100.