ECLI:NL:CRVB:2026:510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling loonkostensubsidie NOW-2 en terugvordering voorschot
Appellante heeft een subsidie aangevraagd op grond van de NOW-2 regeling voor de periode juni tot en met september 2020. De minister stelde de subsidie aanvankelijk lager vast vanwege een gedaalde loonsom in de subsidieperiode ten opzichte van de referentiemaand. De rechtbank volgde een door appellante voorgestelde formule voor de verloningssystematiek en stelde de subsidie hoger vast dan de minister, maar lager dan appellante had gevorderd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de daling van de loonsom buiten beschouwing moest blijven, dat de forfaitaire opslag van 40% niet toereikend was voor haar situatie als uitzendonderneming, en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde vanwege toezeggingen van het UWV. De minister handhaafde zijn standpunt en verwees naar de wettelijke bepalingen en beleidskeuzes.
De Raad oordeelt dat de minister terecht de subsidie lager heeft vastgesteld op basis van de wettelijke formule en dat de belangenafweging niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de vermeende toezeggingen niet aan een bevoegd bestuursorgaan kunnen worden toegerekend. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en handhaaft de subsidie op € 26.939,- en de terugvordering op € 10.157,-.
De Raad wijst het verzoek om kwijtschelding van de terugvordering af en laat de proceskostenveroordeling van de rechtbank in stand. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 april 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de lagere vaststelling van de NOW-2 subsidie en de terugvordering van het voorschot, en wijst het hoger beroep van appellante af.