ECLI:NL:CRVB:2026:509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging definitieve vaststelling loonkostensubsidie NOW-3 derde tranche ondanks daling loonsom
Appellante, een uitzendonderneming, heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve vaststelling van haar loonkostensubsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, over de periode oktober tot en met december 2020. De minister had de subsidie vastgesteld op een bedrag lager dan door appellante gewenst, mede vanwege een daling van de loonsom in de subsidieperiode ten opzichte van de referentiemaand. De rechtbank Overijssel stelde de subsidie hoger vast dan de minister, maar hield vast aan de toepassing van artikel 16 lid 5 NOW Pro-3.
Appellante voerde aan dat deze bepaling in haar situatie onredelijk bezwarend was, mede vanwege haar positie als uitzendonderneming, personeelsverloop en onbetaald verlof. Ook stelde zij dat extraterritoriale kosten aan arbeidsmigranten ten onrechte niet waren meegenomen en dat de forfaitaire opslag van 40% onvoldoende was. De Raad oordeelt dat de positie van appellante niet wezenlijk verschilt van andere werkgevers en dat de regeling en de berekeningswijze geen onvoorzien effect hebben. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken en bevestigt dat de forfaitaire opslag en loonbegrip conform de NOW-3 en Wfsv zijn toegepast.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt de vaststelling van de subsidie op € 34.873,- en de nabetaling op € 14.266,-. Tevens krijgt appellante geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 april 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de subsidie op € 34.873,- en wijst het hoger beroep af.