ECLI:NL:CRVB:2026:48

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
24/2353 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering en geschiktheid voor maatgevende arbeid in WSW-verband

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een WIA-uitkering aan appellante. Appellante, die eerder als hulpinpakker werkte, heeft zich ziekgemeld en stelt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Het Uwv heeft haar geschikt geacht voor de functie van assemblagemedewerker in WSW-verband, maar appellante betwist dat deze functie vergelijkbaar is met haar eerdere werk. De Raad oordeelt dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er soortgelijk werk beschikbaar is en vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelt dat de functie van assemblagemedewerker geen soortgelijke functie is als die van hulpinpakker en dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante moet beslissen. De Raad heeft ook de proceskosten van appellante toegewezen en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2024, 24/1012 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 29 september 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij geschikt is voor de maatgevende arbeid van assemblagemedewerker in WSW-verband. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet. Daarnaast heeft appellante gesteld dat haar niet meer bestaande functie van hulpinpakker in WSWverband en de functie van assemblagemedewerker in WSW-verband geen soortgelijke functies zijn. De Raad volgt dit standpunt en oordeelt dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor appellante soortgelijk werk beschikbaar is. Het Uwv heeft ten onrechte de functie van assemblagemedewerker als maatgevende arbeid aangemerkt. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het Uwv moet een nieuwe beslissing nemen op het bezwaarschrift van appellante.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 september 2025. Voor appellante is mr. Küçükünal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Pijl.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv schriftelijke vragen gesteld.
Het Uwv heeft in reactie op deze vragen een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nader stuk ingebracht. Appellante heeft hierop geregeerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als hulpinpakker (productiemedewerker) voor 35,36 uur per week op basis van een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Op 26 mei 2009 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Met ingang van 13 juni 2011 heeft het Uwv aan appellante een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 54,75%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 13 april 2013 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering. In het kader van re-integratie is appellante per 1 juli 2015 weer gaan werken bij de eigen werkgever in de functie van hulpinpakker voor 16 uur per week. Per 7 augustus 2017 is de WIA-uitkering beëindigd. Vanaf die datum wordt appellante weer geschikt geacht voor haar eigen functie van hulpinpakker in WSW-verband.
1.2.
Op 1 oktober 2020 heeft appellante zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Zij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA ingediend. Een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv hebben onderzoek gedaan. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juni 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante ondanks haar beperkingen geschikt is voor haar eigen werk als hulpinpakker in WSW-verband voor 35,36 uur per week. Het Uwv heeft bij besluit van 20 juni 2023 geweigerd appellante met ingang van 29 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij geschikt is voor haar eigen werk als hulpinpakker. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 8 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen redenen gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige heeft op 11 december 2023 een werkplekonderzoek verricht op locatie bij de ex-werkgever. Bij dat onderzoek is gebleken dat de maatgevende functie van hulpinpakker in WSW-verband bij de ex-werkgever niet meer bestaat. Als appellante nog bij de ex-werkgever werkzaam was geweest, zou zij volgens ex-werkgever in de functie van assemblagemedewerker zijn geplaatst. De ex-werkgever heeft aangegeven dat het werk van assemblagemedewerker binnen de organisatie soortgelijk werk is als dat van hulpinpakker. De arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben vastgesteld dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid van assemblagemedewerker in WSW-verband.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, psychisch en lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts, een telefonische hoorzitting en informatie van de behandelend sector. Het dagverhaal is uitgevraagd en alle informatie van de behandelend sector is bij de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat er medische informatie ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken.
2.2.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om het medisch oordeel onjuist te achten. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante en dat op de datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante ernstige (fysieke) klachten ervaart die niet medisch te objectiveren zijn en mede daarom de uitgebreide informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Deze informatie gaf geen aanleiding om meer of aanvullende beperkingen aan te nemen. Appellante heeft in beroep geen stukken overgelegd die reden geven om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.3.
Tot slot heeft de rechtbank het standpunt van appellante dat de functie van assemblagemedewerker niet kan worden vergeleken met haar eigen werk als hulpinpakker niet gevolgd. De arbeidsdeskundige heeft een werkplekonderzoek verricht en daarbij is gebleken dat de functie van hulpinpakker bij ex-werkgever niet meer bestaat. De exwerkgever heeft bij het werkplekonderzoek aangegeven dat het werk van assemblagemedewerker het werk zou zijn dat appellante zou verrichten als zij niet was uitgevallen. De arbeidsdeskundige heeft daarom de functie van assemblagemedewerker terecht als soortgelijke functie onderzocht. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat appellante met haar beperkingen geschikt is voor de maatgevende arbeid van assemblagemedewerker.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en gebaseerd op summiere informatie. Er is onvoldoende doorgevraagd hoe de beperkingen van appellante als gevolg van fibromyalgie en de psychische klachten eruitzien in het dagelijkse leven en tijdens het verrichten van arbeid.
3.2.
Verder heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Appellante heeft ernstige nekklachten die uitstralen. Hierdoor heeft zij pijnklachten in haar hele lichaam. Ook heeft appellante last van hoge bloeddruk waardoor zij vaak duizelig is en last heeft van hoofdpijn. Verder heeft appellante last van vermoeidheid en is zij gediagnosticeerd met fibromyalgie, een somatische pijnstoornis, depressie en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten. Appellante heeft pijn in haar spieren en last van stijfheid. Appellante is in een lange rouwperiode terecht gekomen nadat haar ex-partner is overleden. Zij gebruikt diverse medicatie waardoor zij last kan krijgen van maag-darmklachten, hoofdpijn, sufheid, duizeligheid, verwarring en wazig zien. Om haar standpunt te onderbouwen heeft appellante verwezen naar de eerder in bezwaar ingebrachte brief van de GZ-psycholoog van 3 juli 2023 en een patiëntenkaart van 3 juli 2023 van haar huisarts.
3.3.
Ook heeft appellante aangevoerd dat de functie van hulpinpakker en de functie van assemblagemedewerker geen soortgelijke functies zijn en dat de functie van assemblagemedewerker daarom niet kan gelden als haar maatgevende arbeid. De functie van assemblagemedewerker is volgens appellante ook niet passend. Deze functie vereist hand- en vingergebruik en herhaaldelijke bewegingen. Appellante is daarin beperkt omdat de pijnklachten hierdoor aanzienlijk toenemen. In deze functie is het daarnaast maar beperkt mogelijk om van houding te wisselen en is een verhoogde concentratie en nauwkeurigheid vereist. Appellante gebruikt zware medicatie en is daardoor niet in staat om deze functie uit te oefenen. Door de medicatie heeft appellante last van vermoeidheid en een vertraagd handelingstempo.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.1.
Op vragen van de Raad heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 20 oktober 2025 toegelicht dat de functie van assemblagemedewerker gelet op de aard van het werk, de opbouw van de taken, de mate van begeleiding en de fysieke belasting terecht is beschouwd als een adequate vervanging van de niet meer bestaande functie van hulpinpakker binnen WSW-verband. Beide functies worden verricht binnen een beschutte werkomgeving en kennen een vergelijkbare werkinhoud, belasting en beloningsstructuur. Zowel bij het inpakwerk als bij de assemblagewerkzaamheden gaat het om eenvoudige, routinematige handelingen die grotendeels zittend en aan een werktafel worden uitgevoerd. In de functiebeschrijving van assemblagemedewerker wordt gesproken over het gebruik van handgereedschap, maar dit gaat om het gebruik van zeer eenvoudige hulpmiddelen die geen hoge mate van technisch inzicht of opleiding vereisen (zoals een schroevendraaier of lichte schroeftol). De aard van de werkzaamheden blijft daarmee vergelijkbaar met die van hulpinpakker, namelijk het uitvoeren van eenvoudige productietaken waarbij onderdelen worden samengevoegd of verpakt. De fysieke belasting van assemblagemedewerker is vergelijkbaar of zelfs iets lichter dan de functie van hulpinpakker. Er is geen sprake van de aspecten werken boven schouderhoogte, tillen of dragen boven 5 kg of blootstelling aan trillingen. De functie van assemblagemedewerker sluit ook goed aan bij de in de FML vastgestelde beperkingen. De functie is geen technische functie. Het gaat om eenvoudig uitvoerend productiewerk binnen het WSW-verband. Appellante is niet beperkt geacht op het aspect repetitieve handelingen en hand- en vingergebruik. Daarnaast kan het werk zittend en in eigen tempo worden uitgevoerd, met voldoende mogelijkheden om van houding te kunnen wisselen of kort te pauzeren.
4.2.
Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep desgevraagd aangegeven dat het niet mogelijk is om te onderbouwen of de functie van assemblagemedewerker met eenzelfde belasting en beloning ook bij andere werkgevers voorhanden is. Het gaat om een WSW-functie waarbij sprake is van arbeid onder aangepaste omstandigheden en met een specifieke, niet-marktconforme beloningsstructuur. Deze arbeid is niet representatief in vergelijking met functies op de reguliere arbeidsmarkt en zoals opgenomen in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep alleen kan uitgaan van objectieve en algemeen gangbare functies zoals deze zijn opgenomen in de Basisinformatie CBBS kan niet worden vastgesteld of er arbeid met dezelfde belasting en beloning als de maatmanarbeid bij andere werkgevers voorhanden is.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten. Dit doet hij aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
Medische beoordeling
5.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de zorgvuldigheid van het onderzoek en de vastgestelde belastbaarheid, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd of nieuwe medische argumenten genoemd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.2.
Er bestaat geen aanleiding appellante te volgen in haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is en dat de verzekeringsartsen meer hadden moeten doorvragen naar de subjectieve ervaring van de pijnklachten en de invloed ervan op de belastbaarheid van appellante. Uit het dossier blijkt dat appellante door de primaire verzekeringsarts is gezien op een fysiek spreekuur. De primaire verzekeringsarts heeft tijdens het spreekuur uitgebreid met appellante gesproken over de pijnklachten en appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om hierover te vertellen. Zo heeft appellante verklaard dat zij al jaren veel lichamelijke pijn heeft, dat zij pijn heeft in haar gehele linkerarm en rechterarm en dat ook haar rug en benen pijn doen. Ook heeft appellante verklaard dat ze nekpijn heeft en dat ze in haar beide handen al zes à zeven jaar geen gevoel heeft. Verder is veel informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts onvoldoende aandacht heeft besteed aan de pijnklachten van appellante en dat zij nader had moeten doorvragen dan wel op dit punt meer onderzoek had moeten doen.
5.3.
Evenals de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de FML. Alle door appellante naar voren gebrachte psychische en fysieke klachten en ingediende medische stukken zijn kenbaar bij de medische beoordeling betrokken. De verzekeringsartsen hebben op basis van eigen onderzoek en de ingebrachte medische informatie geconcludeerd dat onder meer sprake is van een depressie, somatoforme pijnstoornis en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en hiervoor diverse beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Het is daarnaast niet de taak van de verzekeringsarts om in zijn algemeenheid te beschrijven welke (fysieke) taken iemand nog kan verrichten. In het kader van een WIA-beoordeling is het de taak van de verzekeringsarts om de beperkingen voor het verrichten van arbeid in kaart te brengen en vast te leggen in een FML. Appellante heeft niet met medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd dat haar medische situatie is onderschat en dat meer of verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen.
5.4.
Daarnaast is appellante vanwege haar medicatiegebruik beperkt geacht voor het beroepsmatig besturen van een voertuig en het werken op hoogte en met gevaarlijke machines. Appellante heeft niet met medische informatie onderbouwd dat zij vanwege haar medicatiegebruik ook een vertraagd handelingstempo heeft en zich moeilijk kan concentreren.
Arbeidskundige beoordeling
5.5.
Uit vaste rechtspraak van de Raad [1] volgt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel als de zogeheten maatman moet worden aangemerkt, degene die dezelfde arbeid verricht als appellante verrichte vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor deze maatmanarbeid brengt in beginsel mee dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit is anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.
5.6.
Vast staat dat de functie van hulpinpakker, van waaruit appellante arbeidsongeschikt is geworden, niet meer bestaat. Het Uwv en de rechtbank hebben aangenomen dat de functie van assemblagemedewerker bij de ex-werkgever een soortgelijke functie is en dat die functie daarom de maatgevende arbeid voor appellante is geworden. Omdat appellante geschikt is voor de functie van assemblagemedewerker, heeft het Uwv geweigerd om aan appellante per 29 september 2022 een WIA-uitkering toe te kennen. Dit standpunt is niet juist.
5.7.
Uit 5.5 volgt dat als de oude functie niet meer bestaat, maar er wel soortgelijk werk met eenzelfde belasting en beloning in voldoende mate bij andere werkgevers voorhanden is, de hoofdregel blijft gelden dat geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel met zich mee brengt dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Als de functie van assemblagemedewerker zou voldoen aan de hiervoor genoemde eisen, dan zou dat niet betekenen dat die functie de nieuwe maatman- of maatgevende arbeid wordt, maar wel dat geschiktheid van appellante voor de niet meer bestaande functie van hulpinpakker in beginsel tot gevolg heeft dat zij niet arbeidsongeschikt is.
5.8.
De Raad is echter van oordeel dat de functie van hulpinpakker en de functie van assemblagemedewerker in WSW-verband geen soortgelijke arbeid is. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 29 mei 2017 staat beschreven dat hulpinpakker tot taak heeft om allerlei (lichte) goederen in te pakken en dozen te stickeren vanuit een zittende houding. In de rapporten van de arbeidsdeskundige van 11 december 2023 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 oktober 2025 staat beschreven dat de assemblagemedewerker tot taak heeft om eenvoudige (technische) producten handmatig in elkaar te zetten. Er worden in deze functie lichte handmatige werkzaamheden verricht zoals het vastdraaien van kleine schroeven of het samenvoegen van onderdelen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt daarbij gebruik gemaakt van handgereedschap zoals een schroevendraaier, kleine schroeftol, kleine stok of een houtenrek die op de tafel is geplaatst. Het soort werk kan verschillen omdat men in opdracht van derden werkt maar op het moment van onderzoek werden klemmen voor zonnepanelen en kleine rekken in elkaar gezet. Uit de beschrijving van de functies blijkt dat de hulpinpakker, de functie die appellante verrichte, wezenlijk andere taken had dan de taken die horen bij de functie van assemblagemedewerker. Uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen volgt daarnaast dat de belasting in de functie van assemblagemedewerker niet in voldoende mate overeenkomt met de belasting in de laatstelijk door appellante uitgeoefende functie van hulpinpakker.
5.9.
Omdat de functie van assemblagemedewerker geen soortgelijke arbeid is, behoeft de vraag of die arbeid met dezelfde belasting en beloning bij andere werkgevers voorhanden is, geen bespreking meer.
5.10.
Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor appellante soortgelijke arbeid bestaat met eenzelfde belasting en beloning. Dat betekent dat de in 5.5 genoemde hoofdregel – geschiktheid voor de maatmanarbeid betekent in beginsel geen arbeidsongeschiktheid – op appellante niet van toepassing is. Het Uwv heeft dat miskend en ten onrechte de functie van assemblagemedewerker aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is daardoor onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.
5.12.
De Raad kan niet zelf voorzien omdat daarvoor voldoende gegevens ontbreken. Het Uwv moet daarom opnieuw op het bezwaar van appellante beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
5.13.
Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv nieuw te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
5.14.
Omdat het hoger beroep slaagt, bestaat er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie), met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1.
6. Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 januari 2024 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat beroep tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €189,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde in tegenwoordigheid van H.A. Baars als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
(getekend) W.R. van der Velde
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 2 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2337, 7 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2753, 2 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4330 en 24 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1364.