Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:461

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/2844 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 629 Boek 7 BWArt. 76a Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever

Werknemer was sinds 2019 werkzaam bij appellante en meldde zich in 2020 ziek wegens psychische klachten. Na een WIA-aanvraag in 2022 beoordeelde het UWV dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, wat leidde tot een loonsanctie van 52 weken.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV terecht oordeelde dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, mede door een inadequate inschatting van de belastbaarheid door de bedrijfsarts en het ontbreken van mediation bij een verstoorde arbeidsverhouding.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de adviezen van de bedrijfsarts terecht had gevolgd en verwees naar langdurige begeleiding en externe rapporten. De Raad oordeelde echter dat de bedrijfsarts buiten zijn professionele marge was getreden door de belastbaarheid niet actueel te houden en dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren.

De Raad bevestigde dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde en dat appellante geen deugdelijke grond had voor haar tekortkomingen. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2844 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 november 2024, 23/9367 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het tijdvak waarin werknemer tegenover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, heeft verlengd met 52 weken. Volgens appellante is dat niet het geval omdat zij – anders dan het Uwv heeft aangenomen – wel voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv aan appellante terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. In reactie op vragen van de Raad heeft het Uwv een nader stuk ingediend. Appellante heeft een nadere reactie en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Werknemer [naam werknemer] (werknemer) was sinds 1 augustus 2019 werkzaam bij appellante als winkelmedewerker voor bijna 40 uur per week. Op 30 november 2020 heeft hij zich ziekgemeld wegens psychische klachten.
1.2.
Werknemer heeft op 7 september 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.3.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Uwv beoordeeld of appellante voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Een arbeidsdeskundige heeft appellante en werknemer telefonisch gesproken. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden met een arts van het Uwv. In een rapport van 14 november 2022 heeft deze arts geconcludeerd dat de inschatting van de functionele mogelijkheden van werknemer en de sociaal-medische begeleiding niet adequaat is geweest. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige in een rapport van 24 november 2022 geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend reintegratieresultaat en dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Bij besluit van 24 november 2022 heeft het Uwv het tijdvak waarin werknemer tegenover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 27 november 2023 (een loonsanctie).
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 november 2022 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van 30 juni 2023 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 10 juli 2023 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van een bevredigend resultaat. De rechtbank heeft voorts geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts en zijn inschatting van de belastbaarheid van werknemer niet adequaat zijn geweest, waardoor er re-integratiekansen zijn gemist. Dit betekent dat de acties van appellante, die zij heeft gebaseerd op de rapporten van de bedrijfsarts, niet adequaat zijn geweest. Het Uwv heeft dan ook terecht gesteld dat er sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen. Dat appellante geen reden had om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid, maakt dat niet anders. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat het voor rekening en risico van de werkgever komt als de bedrijfsarts een verkeerd advies geeft. [1]
2.2.
Appellante had geen deugdelijke grond voor de onvoldoende reintegratieinspanningen. Volgens appellante is veel tijd verloren gegaan doordat werknemer niet echt meewerkte aan de re-integratie. Een werkgever heeft evenwel diverse mogelijkheden om de werknemer te bewegen alsnog mee te werken. De rechtbank heeft er begrip voor dat appellante, vanwege de familieband met werknemer, ervoor gekozen heeft om geen gebruik te maken van die mogelijkheden. Dit laat echter onverlet dat zij dit, vanuit het oogpunt van haar verplichtingen als werkgever, dit wel had kunnen en desnoods had moeten doen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Appellante vindt dat zij de adviezen van de bedrijfsarts terecht heeft gevolgd en geen reden had om daaraan te twijfelen. De bedrijfsarts heeft werknemer twee jaar intensief begeleid en heeft precies door hoe werknemer in elkaar zit en wat hij wel en niet kan. Daartegenover staat een momentopname van de verzekeringsarts. Het verschil van inzicht tussen bedrijfsartsen en verzekeringsartsen is de reden dat de wetgever bezig is om de verzekeringsgeneeskundige beoordeling uit de beoordeling van het re-integratieverslag te halen. Hoewel dit nu nog niet het geval is, mag appellante hier niet de dupe van worden. De procesregisseurs van Arboned, die minimaal maandelijks contact hebben gehad met werknemer, zijn het eens met de bedrijfsarts. Ook de spoor 2-begeleider van Focus heeft deze ervaring opgedaan met werknemer. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een brief van de manager operations van Focus van 28 januari 2025. Inhoudelijk had er bovendien niet een sneller resultaat geboekt kunnen worden omdat er lange wachtlijsten waren. Na behandeling konden pas verdere stappen worden gemaakt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv met een nader rapport van 19 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd waarom de bedrijfsarts volgens het Uwv buiten de professionele marge is getreden.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de aan appellante opgelegde loonsanctie in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Niet in geschil is dat werknemer ten tijde van de beoordeling van de reintegratieinspanningen niet in structurele arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het oorspronkelijke loon had hervat en dat daarmee geen sprake is van een bevredigend resultaat. Het Uwv kon daarom toekomen aan een beoordeling van de reintegratieinspanningen van appellante.
5.2.1.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 23 november 2023 [2] uiteengezet waarom er geen aanleiding is de ‘voor rekening en risico (van de werkgever)’-benadering bij loonsancties, zoals die in de rechtspraak van de Raad is neergelegd, niet langer te volgen. In gevallen waarin de medische beoordeling door de bedrijfsarts inhoudelijk onjuist is en de reintegratie-inspanningen als gevolg daarvan onvoldoende zijn geweest, strekt een loonsanctie ertoe een adequate re-integratie – in het belang van de werknemer – alsnog te laten plaatsvinden. Wat betreft de toets van het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts heeft de Raad overwogen dat de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever (de zogeheten RIV-toets) geen claimbeoordeling is en de bedrijfsarts bij die toets een professionele marge dient te worden gegund.
5.2.2.
In zijn uitspraak van 21 januari 2026 [3] heeft de Raad deze ‘voor rekening en risico’benadering wederom bevestigd en ook nader toegelicht. De Raad verwijst naar hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Dat de (demissionaire) minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inmiddels voornemens is het medisch advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets leidend te maken, heeft de Raad in die uitspraak geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel.
5.3.1.
Verder heeft de Raad eerder geoordeeld [4] dat de tekortkomingen die pas in bezwaar door het Uwv zijn vastgesteld, niet als grondslag kunnen dienen voor het bestreden besluit. Het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA brengt mee dat de door het Uwv bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat, zodat hij zich kan richten op het herstellen van dat gebrek.
5.3.2.
Dit betekent dat in deze zaak de beoordeling van de Raad zich beperkt tot de tekortkomingen zoals verwoord door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 24 november 2022. De arbeidsdeskundige heeft het volgende geconstateerd. De belastbaarheid van werknemer is sinds het opstellen van de Lijst Arbeidsmogelijkheden en Beperkingen (LAB) van 25 oktober 2021 onduidelijk. Daarmee is niet duidelijk of het werk waarnaar in spoor 2 is gezocht passend is. Dat geldt voor het zoekprofiel met functies, de vacatures die in kaart zijn gebracht en de werkervaringsplek in de zorg. Verder was volgens werknemer tijdens het re-integratietraject sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. Er is in de rapporten niet terug te lezen dat hierop is geanticipeerd door de bedrijfsarts of appellante, door bijvoorbeeld de inzet van mediation.
5.3.3.
De arbeidsdeskundige heeft in het rapport verder toegelicht hoe appellante de tekortkomingen kan herstellen. Ten eerste door alsnog de actuele belastbaarheid van werknemer vast te laten stellen door de bedrijfsarts, op basis van de uitkomst de reintegratie-inspanningen te bepalen en deze via een adequaat traject binnen en buiten de organisatie uit te voeren. Ten tweede door alsnog activiteiten in te zetten gericht op herstel van de relatie tussen appellante en werkgever.
5.4.1.
De Raad is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met de genoemde tekortkomingen haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen en appellante daar geen deugdelijke grond voor heeft gegeven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
5.4.2.
Over de belastbaarheid van werknemer heeft de primaire arts in zijn rapport van 14 november 2022 toegelicht dat sinds januari 2022 aanwijzingen waren van toegenomen energetische problematiek. Eerst was dit in verband met de inzet van het spoor 2-traject en daarna met het begin van de intensieve behandeling en een bijkomend geschil met appellante. Al met al heeft dit ertoe geleid dat werknemer zijn behandeltraject tijdelijk heeft moeten stopzetten en de re-integratieactiviteiten niet verder kon voortzetten. Uiteindelijk kreeg hij een volledige terugval. De gewijzigde belastbaarheid werd echter niet weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 30 juni 2023 aangevuld dat geen rekening is gehouden met het feit dat de in het voorjaar van 2022 begonnen behandeling een fnuikende invloed had op de belastbaarheid van werknemer en dat de aanhoudende druk op werknemer om toch vooral fulltime inzetbaar en beschikbaar te blijven voor het spoor 2-traject een verdere negatieve invloed op werknemers mentale belastbaarheid heeft gehad.
5.4.3.
Over het arbeidsconflict heeft de primaire arts toegelicht dat de bedrijfsarts daar niets aan heeft gedaan, terwijl hij in de probleemanalyse van 19 januari 2021 had vermeld dat werknemer naar verwachting naar eigen werk bij appellante terugkeert. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 30 juni 2023 aangevuld dat deze prognose op 19 januari 2021 – na slechts twee maanden verzuim – op zich nog wel realistisch is. Echter ook nadien bleef sprake van een verstoorde arbeidsrelatie en had van de bedrijfsarts een actiever, activerender en initiërender rol mogen worden verwacht ten aanzien van het arbeidsconflict, door partijen mediation te adviseren. Dit is niet gebeurd.
5.5.
De motivering van de (verzekerings)artsen is inzichtelijk, consistent en navolgbaar. Appellante heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. De verklaring van de bedrijfsarts dat eventuele wijzigingen in de belastbaarheid van werknemer na arbeidskundig onderzoek niet meer van toepassing waren omdat de belastbaarheid (met de LAB van 25 oktober 2021) al was opgesteld en het spoor 2-traject al was ingezet, wordt niet gevolgd. Bij een duidelijk afnemende belastbaarheid is bijstelling van de belastbaarheid van werknemer in een FML of LAB van belang om inzicht te blijven houden in de inzetbaarheid van werknemer tijdens het spoor 2-traject. Immers dient een FML of LAB als uitgangspunt voor een arbeidsdeskundige om te beoordelen of zoekprofielen, vacatures, functies en/of werkervaringsplekken passend zijn voor werknemer, gelet op zijn medische beperkingen. Hoewel werknemer tijdens het spoor 2-traject meermalen op het spreekuur van de bedrijfsarts is geweest en daar heeft verteld dat het niet goed ging, dat de behandeling hem zwaar viel en daardoor tijdelijk was gestopt en de huisarts heeft ingegrepen, heeft de bedrijfsarts onverminderd geconcludeerd dat de (eerdere) conclusies van de arbeidsdeskundige gevolgd dienden te worden en dat (fulltime) door moest worden gegaan met het spoor 2-traject bij Focus. Daarmee is de bedrijfsarts buiten zijn professionele marge getreden.
5.6.
De brief van Focus van 28 januari 2025 maakt dit niet anders. In die brief staat dat het spoor 2-traject is gebaseerd op de LAB van 25 oktober 2021 en dat als kortste route naar ander werk onder andere de werkervaringsplek als begeleider in de zorg- en welzijnssector is ingezet om de passendheid van de functie te toetsen. Voorts is er aandacht geweest voor bredere arbeidsmarktactiviteiten. Nu echter juist in de loop van 2022 onduidelijk werd of de LAB van 25 oktober 2021 nog actueel was, is onduidelijk gebleven of het spoor 2-traject passend was voor de medische beperkingen van werknemer. Daarmee is de passendheid van een functie in de zorg op losse schroeven komen te staan en is de re-integratie in spoor 2 onvoldoende adequaat geweest.
5.7.
Appellante heeft ter zitting erkend dat een arbeidsconflict speelde ten tijde van de ziekmelding en dat het contact met werknemer tot op heden moeizaam is. Volgens de bedrijfsarts was mediation niet zinvol omdat van begin af aan duidelijk was dat terugkeer in het bedrijf van appellante geen optie meer was. Daargelaten dat de opmerking dat terugkeer in eigen of aangepast werk bij appellante van begin af aan geen optie was, niet strookt met het in de probleemanalyse van 19 januari 2021 vermelde verwachte doel “Volledige terugkeer (in) eigen werk bij (de) eigen werkgever”, heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 24 november 2022 terecht opgemerkt dat een verstoorde arbeidsverhouding de re-integratie van werknemer kan belemmeren. Gelet hierop was een instrument als mediation om de arbeidsverhouding te verbeteren wel aangewezen geweest. De bedrijfsarts heeft dit ten onrechte niet onderkend.
5.8.
Uit wat onder 5.3.1. tot en met 5.7 is overwogen, volgt dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratieinspanningen heeft verricht. Dit betekent dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de opgelegde loonsanctie in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.A. Verweij

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. […]
Artikel 65 van Pro de Wet WIA
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een re-integratie-verslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voor zover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde […] in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter van belang, waarmee het Uwv aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht.

Voetnoten

1.CRvB 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
2.CRvB 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
3.CRvB 21 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2646, en 17 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1373.