ECLI:NL:CRVB:2026:376

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/349 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens finale kwijting in vaststellingsovereenkomst over Ziektewet-verrekening

Appellant ontving een bijstandsuitkering en een Ziektewet-uitkering die door het Uwv werd verrekend met de bijstand. Deze verrekening vond plaats in 2019. Appellant stelde dat deze verrekening onterecht was en verzocht om schadevergoeding, maar het besluit hierover werd door de rechtbank afgewezen omdat het besluit in rechte onaantastbaar was geworden.

Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, stellende dat het Uwv misbruik van bevoegdheid had gemaakt door zonder verzoek van de gemeente Almere te verrekenen. Het Uwv verweerde zich met een vaststellingsovereenkomst van 15 mei 2020, waarin finale kwijting was overeengekomen voor de periode vóór 1 mei 2020.

De Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat de geschilperiode onder deze overeenkomst valt. Hierdoor staat de overeenkomst een inhoudelijke beoordeling van het geschil in de weg. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst over de periode vóór 1 mei 2020.

Uitspraak

23/349 ZW
Datum uitspraak: 2 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, 21/3464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 23/256 WIA, 23/347 ZW, 23/348 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/352 WW, 23/1171 WIA en 23/1259 WIA. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
De Raad heeft in de zaken 23/347 ZW en 23/348 ZW, uitspraak gedaan. [1]
De Raad heeft het onderzoek in de overige zaken heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 oktober 2025, gelijktijdig met de zaken 23/256 WIA, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/352 WW, 23/1171 WIA en 23/1259 WIA. In die zaken worden afzonderlijke uitspraken gedaan. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant ontving van 22 oktober 2016 tot en met 30 april 2017 een bijstandsuitkering van de toenmalige gemeente Vlagtwedde. Na gemeentelijke herindeling is de gemeente Westerwolde per 1 januari 2018 rechtsopvolger van de gemeente Vlagtwedde. Gedurende de periode van 3 januari 2017 tot 1 mei 2017 heeft appellant met behoud van uitkering in het kader van een werkervaringsplek werkzaamheden verricht voor [account kantoor] .
1.2.
Bij besluit van 6 augustus 2019, zoals gehandhaafd bij besluit van 1 november 2019, is aan appellant met terugwerkende kracht met ingang van 25 april 2016 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Daarbij heeft het Uwv te kennen gegeven dat de ZW-uitkering verrekend wordt met de door appellant ontvangen bijstandsuitkering. Appellant heeft tegen het besluit van 1 november 2019 geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.
1.3.
Op 14 september 2021 heeft appellant het Uwv verzocht om vergoeding van door hem geleden schade over de in 1.1 genoemde periode. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het Uwv onverschuldigd aan de gemeente Westerwolde heeft betaald, aangezien hij in de betreffende periode arbeid verrichtte met behoud van uitkering.
1.4.
Bij besluit van 24 september 2021 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat er geen reden bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding. Er is geen sprake van een onrechtmatig besluit, aangezien het besluit van 1 november 2019 in rechte onaantastbaar is geworden.
Uitspraak van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van om schadevergoeding afgewezen. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Van een onrechtmatig besluit is in het geval van appellant geen sprake. Het besluit van 1 november 2019 is – anders dan appellant heeft betoogd – aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Dit besluit ziet op het bezwaar van appellant tegen (onder meer) de verrekening van de uitkering van het Uwv met de door hem ontvangen bijstandsuitkering van de gemeente Westerwolde. Het besluit, waarin het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard, is in rechte onaantastbaar geworden. De verrekening kan in deze procedure dus niet meer ter discussie worden gesteld en er moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het Uwv ten onrechte is overgegaan tot verrekening van de bijstandsuitkering. Daartoe heeft het Uwv geen verzoek ontvangen van de gemeente Almere. Er is sprake van misbruik van bevoegdheden.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 30 maart 2023 [2] verzocht het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de tussen het Uwv en appellant op 15 mei 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In de tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst is voor zover relevant de afspraak opgenomen dat met die overeenkomst sprake is van finale kwijting voor wat betreft de periode vóór 1 mei 2020. Over die periode valt volgens de vaststellingsovereenkomst over en weer niets meer te claimen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat dit onder meer betekent dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken, aanvragen of overige verzoeken meer indient die zien op de periode voor 1 mei 2020 en dat appellant alle lopende aanvragen, bezwaar- en (hoger) beroepszaken, ingebrekestellingen, tuchtklachten en overige verzoeken intrekt.
4.2.
Bij uitspraak van heden in zaken 23/256 WIA en 23/1259 WIA heeft de Raad geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en het Uwv rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat hij geen reden ziet appellant daaraan niet gebonden te achten.
4.3.
De voorliggende zaak valt onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst. De volgens appellant onterechte verrekening vond immers plaats in 2019 en ligt vóór 1 mei 2020, de periode waarover appellant en het Uwv finale kwijting zijn overeengekomen. Dat betekent dat de tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling door de Raad van het door appellant aanhangig gemaakte geschil. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak nietontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H.G. Rottier en G.C. Boot als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.CRvB 23 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:625.
2.CRvB 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:615.