ECLI:NL:CRVB:2026:374

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/352 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens finale kwijting in vaststellingsovereenkomst over periode vóór 1 mei 2020

Appellant heeft een correctieverzoek ingediend bij het Uwv over het aantal loondagen in 2013, dat volgens hem onjuist is geregistreerd. Het Uwv heeft dit verzoek niet in behandeling genomen omdat appellant geen bewijs heeft geleverd dat de polisadministratie onjuist is. De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat het Uwv terecht uitging van de gegevens in de polisadministratie en dat appellant onvoldoende concreet heeft aangetoond dat deze onjuist zijn.

Appellant is het niet eens met deze uitspraak en stelt dat het aantal loondagen en de polisadministratie onbetrouwbaar zijn en dat nader onderzoek naar zijn arbeidsverleden had moeten plaatsvinden. Het Uwv heeft echter aangevoerd dat er een vaststellingsovereenkomst is gesloten op 15 mei 2020, waarin finale kwijting is overeengekomen voor de periode vóór 1 mei 2020.

De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat deze finale kwijting inhoudt dat er geen nieuwe claims over de periode vóór 1 mei 2020 kunnen worden ingediend. Hierdoor staat de overeenkomst een inhoudelijke beoordeling van het geschil in de weg en moet het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst over de periode vóór 1 mei 2020.

Uitspraak

23/352 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, 22/831 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 april 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 23/256 WIA, 23/347 ZW, 23/348 ZW, 23/349 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/1171 WIA en 23/1259 WIA. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
De Raad heeft in de zaken 23/347 ZW en 23/348 ZW, uitspraak gedaan. [1]
De Raad heeft het onderzoek in de overige zaken heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 oktober 2025, gelijktijdig met de zaken 23/256 WIA, 23/349 ZW, 23/350 ZW, 23/351 ZW, 23/1171 WIA en 23/1259 WIA. In die zaken worden afzonderlijke uitspraken gedaan. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Op 16 september 2021 heeft appellant een brief gestuurd aan het Uwv waarin hij onder meer schrijft dat het aantal loondagen in de polisadministratie over 2013 onjuist is. Volgens een bij de brief meegestuurd overzicht is voor 2013 handmatig een aantal van 208 loondagen ingevoerd. Dat aantal is volgens appellant niet correct. Bovendien was sprake van meerdere dienstverbanden. Op 5 oktober 2021 heeft appellant een correctieverzoek ingediend.
1.2.
Bij besluit van 24 november 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2022 (bestreden besluit), heeft het Uwv het correctieverzoek van appellant niet in behandeling genomen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat er geen aanleiding is om een correctie te (laten) uitvoeren, omdat appellant geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit, in het verweerschrift en tijdens de zitting bij de rechtbank voldoende heeft toegelicht hoe het aantal door appellant gewerkte uren in 2013 in de polisadministratie is verwerkt. Het rapport waarnaar appellant heeft verwezen is geen uitdraai van de polisadministratie, maar van de eigen administratie van het Uwv. Dit rapport is gebruikt voor het vaststellen van appellant zijn recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op dat moment waren nog geen gegevens over het aantal gewerkte uren bekend, waardoor handmatig het minimaal aantal uren (208 uren) dat er gewerkt moet zijn om in aanmerking te komen voor een WWuitkering is ingevoerd. Op 3 april 2014 zijn vervolgens de gegevens over het totaal aantal uren dat appellant in 2013 gewerkt heeft toegevoegd aan de polisadministratie. Dit gebeurt niet handmatig, maar gebeurt aan de hand van door de werkgever verstrekte gegevens. De rechtbank is van oordeel dat appellant onvoldoende concreet heeft aangevoerd dat laatstgenoemde gegevens onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank beoogt appellant met zijn correctieverzoek aan de hand van dezelfde (reeds bekende) argumenten een discussie te voeren die in eerdere procedures al aan de orde is geweest. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 8 september 2017 namelijk al geoordeeld dat het Uwv uit mocht gaan van een dienstbetrekking tussen appellant en [naam] B.V. De Raad heeft deze uitspraak bevestigd, waardoor de rechtbank ook nu van deze feiten uitgaat. Gelet hierop heeft het Uwv een nader onderzoek achterwege mogen laten.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat zowel het aantal loondagen waarvan het Uwv uitgaat niet correct is en dat de polisadministratie onbetrouwbaar is. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het Uwv geen nader onderzoek hoeft te doen naar zijn arbeidsverleden.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 30 maart 2023 [2] verzocht het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de tussen het Uwv en appellant op 15 mei 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In de tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst van 15 mei 2020 is voor zover relevant de afspraak opgenomen dat met die overeenkomst sprake is van finale kwijting voor wat betreft de periode vóór 1 mei 2020. Over die periode valt volgens de vaststellingsovereenkomst over en weer niets meer te claimen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat dit onder meer betekent dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken, aanvragen of overige verzoeken meer indient die zien op de periode voor 1 mei 2020 en dat appellant alle lopende aanvragen, bezwaar- en (hoger) beroepszaken, ingebrekestellingen, tuchtklachten en overige verzoeken intrekt.
4.2.
Bij uitspraak van heden in de zaken 23/256 WIA en 23/1259 WIA heeft de Raad geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en het Uwv rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat hij geen reden ziet appellant daaraan niet gebonden te achten.
4.3.
De Raad stelt vast dat de voorliggende zaak valt onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst. Het betreft namelijk de periode die ligt vóór 1 mei 2020, de periode waarover appellant en het Uwv finale kwijting zijn overeengekomen. Dat betekent dat de tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling door de Raad van het door appellant aanhangig gemaakte geschil. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak nietontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H.G. Rottier en G.C. Boot als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van Geijn

Voetnoten

1.CRvB 23 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:625.
2.CRvB 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:615.