ECLI:NL:CRVB:2026:368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terug te komen op afwijzing Wajong-uitkering uit 2014
Appellant verzocht in 2014 om een Wajong-uitkering, welke door het UWV werd afgewezen omdat hij ten minste het minimumloon kon verdienen en geen periode van 52 weken onder dat loon had verdiend. In 2022 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarop het UWV besloot niet terug te komen op het eerdere besluit vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan en de medische gegevens van appellant geen nieuwe feiten bevatten. De rechtbank oordeelde dat appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar arbeidsvermogen had in de zin van de Wajong 2015.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er wel sprake was van nieuwe medische feiten en een toename in belastbaarheid. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde dat de aangeleverde medische informatie dezelfde problematiek beschrijft als in 2014, waardoor geen aanleiding bestaat om terug te komen op het eerdere besluit.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 2014 tot afwijzing van de Wajong-aanvraag.