Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:368

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/830 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWajong 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen op afwijzing Wajong-uitkering uit 2014

Appellant verzocht in 2014 om een Wajong-uitkering, welke door het UWV werd afgewezen omdat hij ten minste het minimumloon kon verdienen en geen periode van 52 weken onder dat loon had verdiend. In 2022 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarop het UWV besloot niet terug te komen op het eerdere besluit vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan en de medische gegevens van appellant geen nieuwe feiten bevatten. De rechtbank oordeelde dat appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar arbeidsvermogen had in de zin van de Wajong 2015.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er wel sprake was van nieuwe medische feiten en een toename in belastbaarheid. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde dat de aangeleverde medische informatie dezelfde problematiek beschrijft als in 2014, waardoor geen aanleiding bestaat om terug te komen op het eerdere besluit.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 2014 tot afwijzing van de Wajong-aanvraag.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/830 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 maart 2025, 23/1575 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Volgens appellant blijkt uit de door hem overgelegde medische gegevens dat hij nu wel recht heeft op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Voor appellant is mr. Gans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1991 , heeft op 5 september 2014 verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 10 november 2014 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat appellant ten minste het minimumloon kan verdienen en omdat vanaf zijn zeventiende verjaardag er geen periode van 52 weken was waarin hij minder dan het minimumloon verdiende.
1.2.
Met een door het Uwv op 18 juli 2022 ontvangen formulier heeft appellant opnieuw om een Wajong-uitkering verzocht. Bij besluit van 7 november 2022 heeft het Uwv appellant te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 10 november 2014 omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv met het besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft hierbij vooropgesteld dat het Uwv op de aanvraag van appellante heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat door appellant is erkend dat de zogeheten Amber-beoordeling al bij het besluit van 10 november 2014 is verricht, zodat de daartegen gerichte beroepsgronden verder onbesproken kunnen blijven.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek gedaan. Appellant is gezien op het spreekuur op 8 mei 2023 en de door hem ingebrachte medische informatie is kenbaar bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de verzekeringsarts gevolgd dat de nu door appellant aangeleverde medische informatie in essentie dezelfde problematiek beschrijft als waarmee appellant destijds, ten tijde van de beoordeling in 2014, van doen had. Deze gegevens vormen volgens de verzekeringsartsen dan ook geen nieuwe medische feiten. Volgens de rechtbank is dit inzichtelijk gemotiveerd en betekent dit dat geen aanleiding bestaat om voor het verleden terug te komen van het besluit van 10 november 2014. Evenmin geven de door appellant overgelegde gegevens aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 november 2014 alsnog voor onjuist moet worden gehouden, zodat ook geen aanleiding bestaat om van dat besluit terug te komen voor de toekomst. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de afwijzing van de aanvraag van 18 juli 2022 evident onredelijk is.
2.3.
Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte niet is getoetst aan de bepalingen van de Wajong 2015 heeft de rechtbank overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd in staat was de hem door de arbeidsdeskundige bij de beoordeling in 2014 voorgehouden functies te verrichten. Dit staat in rechte vast en geen aanleiding bestaat om daarvan terug te komen. Daarmee is volgens de rechtbank gegeven dat appellant op die leeftijd ook beschikte over arbeidsvermogen in de zin van de Wajong 2015. Hierbij heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van deze Raad van 13 december 2020. [1]
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat ten onrechte is geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe medische feiten, waarbij hij opnieuw heeft gewezen op het door hem overgelegde volledige dossier van PsyQ. Hij heeft erop gewezen dat hij feitelijk niet beschikt over een arbeidsverleden en dat hij nimmer in staat is geweest een duurzaam dienstverband in een arbeidsverhouding te verkrijgen noch te behouden. Verder heeft appellant aangevoerd dat, ook als de conclusie zou zijn dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, dat er niet aan in de weg staat te beoordelen of per latere datum mogelijk sprake is van een wijziging in de belastbaarheid. Van een dergelijke toename is volgens appellant sprake. Er heeft volgens appellant dan ook ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de afwijzing van de eerdere Wajong-aanvraag terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de stukken die appellant bij zijn aanvraag van 7 november 2022 en in bezwaar heeft overgelegd, geen nieuwe informatie bevatten over de (medische) situatie van appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar en de vijf jaar daarna. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 oktober 2023 terecht opgemerkt dat bij de beoordeling in 2014 is vastgesteld dat bij appellant sprake was van ADHD, depressieve klachten, een Oppositionele Opstandige Gedragsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek in ontwikkeling. In deze procedure heeft appellant informatie overgelegd waarin een depressie, ADHD en een persoonlijkheidsstoornis worden beschreven. Hieruit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat nog steeds wordt uitgegaan van de oorspronkelijke psychische problematiek, die al was beschreven door de verzekeringsarts die de beoordeling in 2014 heeft gedaan. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 10 november 2014. Omdat de onjuistheid van het oorspronkelijke besluit niet is komen vast te staan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is.
5.3.
Uit 5.2 volgt dat, anders dan appellant heeft betoogd, geen aanleiding bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van zijn herhaalde Wajong-aanvraag. Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd, blijft daarom onbesproken.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 10 november 2014 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 13 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3482.
2.Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.