Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:359

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/1395 TBSH
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 TBSHArt. 2 TBSHArt. 1 ToescheidingsovereenkomstArt. 2 ToescheidingsovereenkomstArt. 3 Toescheidingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing tegemoetkoming ouderen Surinaamse herkomst wegens leeftijdsvoorwaarde

Appellant, geboren in 1950 in Suriname, vroeg een tegemoetkoming aan op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant volgens het Schakelregister in 1968, vóór zijn 18e verjaardag, naar Nederland verhuisde. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellant voerde aan dat hij niet vóór zijn 18e in Nederland woonde en dat de leeftijdsvoorwaarde in het TBSH niet passend is voor zijn situatie, omdat hij bewust voor Nederland koos en er bleef wonen. De minister stelde dat het Schakelregister betrouwbare gegevens bevat en dat de leeftijdsvoorwaarde strikt moet worden toegepast.

De Raad oordeelt dat het Schakelregister als objectief bewijs geldt en dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij pas na zijn 18e verjaardag in Nederland kwam wonen. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH is een politiek-bestuurlijke afweging die een terughoudende rechterlijke toetsing verdraagt. De voorwaarde is niet onredelijk bezwarend in het concrete geval van appellant.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 april 2026.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming op grond van het TBSH wordt bevestigd vanwege het niet voldoen aan de leeftijdsvoorwaarde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1395 TBSH
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2025, 24/6645 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van appellant om een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Appellant is vanuit zijn geboorteland Suriname naar Nederland verhuisd voordat Suriname op 25 november 1975 onafhankelijk werd. Op zijn aanvraag is afwijzend beslist op de grond dat hij jonger was dan 18 jaar toen hij in 1968 vanuit Suriname naar Nederland verhuisde. De Raad oordeelt dat deze afwijzing stand houdt. De minister mocht er op grond van het Schakelregister vanuit gaan dat appellant voor zijn achttiende verjaardag in Nederland is komen wonen. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH kan in het algemeen de hier aan te leggen terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan en toepassing van deze voorwaarde is in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek, mr. R. de Regt, mr. G.E. Eind, en mr. P. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
1.1.
Appellant is op [geboortedatum] 1950 in Suriname geboren. Hij is in 1968 in Nederland komen wonen. Als datum van vestiging in Nederland is in het Schakelregister 23 augustus 1968 geregistreerd. Appellant heeft in Nederland gestudeerd en heeft er, behoudens periodes waarin zijn Nederlandse werkgever hem elders detacheerde, tot op heden gewerkt en gewoond.
1.2.
Appellant heeft een tegemoetkoming aangevraagd op grond van het TBSH. Bij besluit van 12 augustus 2024, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 september 2024, is afwijzend op deze aanvraag beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde in het TBSH dat hij achttien jaar of ouder was op het moment dat hij in Nederland kwam wonen. Volgens de minister bestaat er geen ruimte om af te wijken van de in het TBSH gestelde voorwaarden, en worden hierop ook geen uitzonderingen gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Over de datum waarop appellant in Nederland kwam wonen heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslast voor de onderbouwing van een aanvraag in principe bij de aanvrager ligt, dat de minister zich bij de vaststelling van de datum waarop appellant in Nederland is komen wonen heeft gebaseerd op gegevens uit het Schakelregister, dat aan dergelijke gegevens veel betekenis mag worden gehecht en dat appellant te weinig heeft aangevoerd om twijfel te wekken aan de gegevens over hem in het Schakelregister.
2.2.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding om de leeftijdsgrens in het TBSH te verruimen of wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. Volgens de rechtbank ligt aan de in het TBSH gestelde leeftijdsvoorwaarde een politiekbestuurlijke afweging ten grondslag die de rechtbank heeft te respecteren. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister, het onverplichte en begunstigende karakter van het Tijdelijk besluit dat is bedoeld als een gebaar van erkenning voor een geselecteerde groep ouderen van Surinaamse afkomst en de in dat verband dwingend vastgestelde toekenningsvoorwaarden, die de terughoudende toets kunnen doorstaan. Ook blijkt volgens de rechtbank in het concrete geval van appellant niet van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij wijst erop dat hij deel uitmaakt van de groep die leed en onrecht heeft ervaren doordat op zijn AOW [1] pensioen een korting is toegepast over de periode van 7 mei 1966 tot en met 22 augustus 1968. Verder staat volgens appellant met zijn registratie in het Schakelregister op 22 augustus 1968 niet vast dat hij op dat moment zelf in Nederland verbleef. Appellant voert verder aan dat er, gelet op zijn levensloop vanaf zijn aankomst in Nederland, in zijn geval aantoonbaar sprake is van een duidelijke en welbewuste keuze om naar Nederland te komen, er te blijven en Nederlander te blijven. De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH is slechts een handvat om dit vast te stellen. De afwijzing van zijn aanvraag op de enkele grond dat hij niet aan de leeftijdsvoorwaarde voldoet gaat aan de kern van de regeling voorbij. De leeftijdsvoorwaarde mag hem daarom niet worden tegengeworpen.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De minister wijst erop dat de gegevens in het Schakelregister afkomstig zijn van onder meer de douane en de politie. Voor wat betreft de toepassing van de leeftijdsvoorwaarde heeft de minister betoogd dat de bestuursrechter zeer beperkte ruimte heeft om de toepassing van het TBSH te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Ter zitting heeft de minister benadrukt dat het TBSH voorziet in een financieel gebaar zonder dat daartoe een juridisch bindende verplichting bestond en dat de doelgroep van het TBSH door de regelgever scherp en dwingend is afgebakend met objectieve criteria die eenvoudig zijn te hanteren om zo ongewenste uitbreidingen van de doelgroep te voorkomen en een snelle uitvoering van het TBSH te bevorderen. Gelet op die context ziet de minister geen ruimte om uitzonderingen te maken op de vereisten van artikel 3 van Pro het TBSH.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Juridisch kader
6. Op 1 juni 2024 is het TBSH in werking getreden. Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen. Dit is bepaald in artikel 2 van Pro het TBSH.
7. Iemand heeft recht op € 5.000,- als gebaar van erkenning voor ervaren onrecht, indien hij of zij:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Dit is bepaald in artikel 3 van Pro het TBSH.
Datum verhuizing naar Nederland
8. De minister heeft de gevraagde tegemoetkoming aan appellant geweigerd op de grond dat hij op het moment dat hij in Nederland ging wonen jonger was dan achttien jaar. Appellant heeft verklaard te betwijfelen of hij daadwerkelijk op 23 augustus 1968 in Nederland is gaan wonen, zoals in het Schakelregister vermeld staat, en betoogt dat de minister deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Hij sluit niet uit dat hij door familieleden al eerder is ingeschreven dan hij daadwerkelijk naar Nederland is gekomen. Dit kan hij echter niet onderbouwen omdat zijn oudere familieleden inmiddels zijn overleden. Hij voelt zich in zijn twijfel over de juistheid van de registratie in het Schakelregister gesterkt doordat op een door hem overgelegd rapport van de middelbare school van het schooljaar 1968/69 pas vanaf de derde periode rapportcijfers zijn vermeld. Als appellant inderdaad al in augustus 1968 was overgekomen, hadden over de eerste twee periodes ook cijfers vermeld moeten staan, nu hij naar eigen zeggen tot zijn achttiende jaar leerplichtig was en in die periode naar school zou hebben moeten gaan. Het ontbreken van de cijfers maakt aannemelijk dat hij pas vanaf 1969 in Nederland woonde, toen hij de leeftijd van achttien jaar al had bereikt. Verder wijst hij erop dat hij in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam niet op 23 augustus 1968 maar op 28 augustus 1968 is ingeschreven. Het Schakelregister kan gelet op het voorgaande geen definitief en volledig uitsluitsel bieden over de vraag of appellant voor of na zijn achttiende verjaardag in Nederland is komen wonen.
8.1.
Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van die aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Dat geldt zeker als de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager. [2] Het ligt dus op de weg van appellant, als aanvrager van een tegemoetkoming op grond van het TBSH, om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het recht op deze tegemoetkoming. Appellant is dus degene die aannemelijk moet maken dat hij de achttienjarige leeftijd had bereikt op het moment dat hij zich in Nederland vestigde.
8.2.
Appellant is hierin niet geslaagd. De Raad stelt vast dat het enige objectieve gegeven over het moment waarop appellant in Nederland kwam wonen de registratie in het Schakelregister is. Dit register wordt gevuld met gegevens van onder andere de douane en de politie. In het Schakelregister is vermeld dat appellant op 23 augustus 1968 vanuit Suriname naar Nederland is gekomen.
8.3.
Wat appellant aanvoert is onvoldoende om de objectieve registratie in het Schakelregister te ontkrachten. De inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam ondersteunt juist de inschrijving enkele dagen daarvoor in het Schakelregister. Over de bewijskracht van het overgelegde schoolrapport merkt de Raad op dat in 1969 een verruiming van de leerplicht plaatsvond en dat vanaf de inwerkingtreding van de Leerplichtwet 1969 de leerplicht eindigde aan het eind van het leerjaar waarin het kind de leeftijd van zestien jaar bereikte. [3] Alles overziende gaat de Raad ervan uit dat appellant in augustus 1968, dus voor zijn achttiende verjaardag, in Nederland is gaan wonen.
De leeftijdsvoorwaarde in het TBSH
9. Vervolgens rijst de vraag of de leeftijdsvoorwaarde in het TBSH aan appellant mag worden tegengeworpen. Appellant heeft gesteld dat het leeftijdsvereiste slechts een handvat is voor de toetsing aan de onderliggende gedachte, dat sprake moet zijn van een duidelijke en welbewuste keuze om naar Nederland te komen, er te blijven en zo Nederlander te blijven. Daarmee heeft appellant gesteld dat de leeftijdsgrens van achttien jaar bij aankomst in Nederland in een aantal gevallen geen geschikt middel is om het doel van het TBSH te bereiken. Verder heeft appellant gesteld dat in zijn geval aantoonbaar sprake is geweest van zo’n duidelijke en welbewuste keuze. De Raad ziet zich daarom gesteld voor twee vragen: de vraag of de keuze om het recht op de tegemoetkoming op grond van het TBSH afhankelijk te stellen van het in artikel 3, aanhef en sub c, TBSH opgenomen leeftijdsvereiste, in algemene zin de rechterlijke toetsing doorstaat (exceptieve toets) en, als dit het geval is, de vraag of het bestreden besluit in het geval van appellant niet onredelijk bezwarend uitpakt (concrete toetsing).
Intensiteit van de rechterlijke toetsing
9.1.
Het TBSH is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Een dergelijk voorschrift kan worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Daarnaast kunnen aan de inhoud of wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kleven dat het om die reden geen toepassing kan vinden. Bij deze exceptieve toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke toetsing van een algemeen verbindend voorschrift is onder meer afhankelijk van de beslissingsruimte die het bestuursorgaan heeft bij de vaststelling van de regeling, gelet op de aard en de inhoud van de regelbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die toetsing kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen betreft, geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. [4]
9.2.
In een uitspraak van 18 april 2024 [5] over de rechterlijke toetsing van regelgeving inzake sociale zekerheid aan het evenredigheidsbeginsel heeft de Raad als volgt overwogen. “Kenmerkend voor een groot deel van het sociaalzekerheidsrecht is dat, op basis van een politiek-bestuurlijke afweging, aan de hand van een aantal objectieve en meetbare criteria groepen van rechthebbenden worden gedefinieerd en de duur en omvang van hun financiële aanspraak wordt vastgesteld. Deze criteria, die noodzakelijkerwijze vaak enigszins arbitrair zijn, bepalen de grens tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak aan de betreffende regeling kunnen ontlenen. Een regeling waarbij wordt vastgesteld in welke situaties onder welke voorwaarden aanspraak ontstaat op een socialezekerheidsuitkering, is derhalve bij uitstek voorwerp van een politiek-bestuurlijke afweging als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 1 juli 2019. [6] Een verzoek om rechterlijke toetsing van een op zo’n regeling gebaseerd besluit waarbij dwingendrechtelijke bepalingen zijn toegepast aan het evenredigheidsbeginsel, vraagt in feite van de rechter, naar eigen inzicht vast te stellen welke belangen in die politiek-bestuurlijke afweging (hadden) moeten worden betrokken en welk gewicht aan die belangen zou moeten worden toegekend. Ook een klacht over de voorbereiding en motivering van een dergelijke regeling, op de grond dat de belangen van een bepaalde groep ten onrechte niet specifiek zijn onderzocht en expliciet zijn meegewogen, vraagt in wezen een politiek-bestuurlijk getint oordeel van de rechter, te weten een oordeel over de vraag of de regelgever specifiek aandacht had moeten besteden aan (de bijzondere eigenschappen van) die groep. Ten aanzien van dit soort argumentatie past, zoals blijkt uit de uitspraak van 1 juli 2019, een (zeer) terughoudende benadering van de rechter. Deze terughoudendheid vindt zijn grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop de betrokkene zich bij de rechter rechtstreeks kan beroepen.”
9.3.
In dit geval gaat het om een algemeen verbindend voorschrift in het kader van sociaalzekerheidsbeleid; een regeling die bij uitstek het resultaat is van een politiekbestuurlijke afweging. In dit verband wijst de Raad op het volgende.
9.3.1.
Het TBSH is gebaseerd op de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Artikel 3 bepaalt Pro dat ter zake van de verstrekking van subsidie regels kunnen worden gesteld. Meer afbakening van de regelgevende bevoegdheid dan dat het moet gaan om activiteiten die passen in het sociale zekerheidsbeleid, bevat de Kaderwet SZW-subsidies niet. Dat betekent dat de minister zeer veel vrijheid wordt gelaten bij het beslissen of een regeling moet worden getroffen en bij het bepalen van de inhoud van die regeling.
9.3.2.
Het TBSH is tot stand gekomen na advisering door een ‘commissie van wijzen’ (commissie Sylvester) om gericht en uitsluitend de groep toenmalig rijksgenoten die leefde in Suriname in de periode 1957 tot 1975 en nu langere tijd woonachtig is in Nederland, tegemoet te komen voor hun onvolledige AOW-opbouw. [7] De Afdeling advisering van de Raad van State zag, onder verwijzing naar vaste rechtspraak waaruit blijkt dat de beperking van AOW-verzekering tot ingezetenen van het toenmalige Europese rijksdeel gerechtvaardigd was, geen juridische grondslag die ruimte biedt voor een dergelijke tegemoetkoming uitsluitend voor deze groep. Volgens de afdeling Advisering bestond hiertoe ook geen noodzaak, gelet op de vangnetregelingen waar deze groep aanspraak op kan en kon maken, zoals onder meer de AIO. [8] [9]
9.3.3.
De politiek-bestuurlijke wens om te komen tot een tegemoetkoming, en daarmee ook tot een passend einde aan een discussie die al tientallen jaren op de politieke agenda stond, bleef echter bestaan. Uiteindelijk is, na een gedetailleerd debat in een vaste commissie van de Tweede Kamer [10] over de afbakening van de doelgroep en de vormgeving van de tegemoetkoming, het TBSH tot stand gekomen zoals het nu luidt. [11]
9.4.
De Raad concludeert dat het TBSH, met inbegrip van de daarin opgenomen criteria die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming, bij uitstek het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging. Een verzoek om rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een besluit waarbij de aanvraag om een tegemoetkoming is afgewezen omdat de aanvrager niet aan alle voorwaarden voldoet, vraagt dan ook om een zeer terughoudende rechterlijke benadering als omschreven in de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. Deze terughoudendheid vindt, zoals gezegd, zijn grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop de betrokkene zich bij de rechter rechtstreeks kan beroepen.
Exceptieve toetsing van de leeftijdsvoorwaarde
9.5.
In het TBSH is ervoor gekozen om de tegemoetkoming toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname – 25 november 1975 – bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. Daarbij geldt de voorwaarde dat de persoon 18 jaar of ouder was op het moment van de verhuizing naar Nederland. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de verhuizing naar Nederland een welbewuste keuze moet zijn geweest. Bij deze leeftijd kan er volgens de nota van toelichting van uitgegaan worden dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Deze leeftijd sluit verder aan bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken, aldus de nota van toelichting.
9.6.
Appellant betoogt dat de voorwaarde dat de betrokkene de achttienjarige leeftijd had bereikt op het moment van verhuizing naar Nederland, niet geschikt of in ieder geval niet noodzakelijk is om vast te stellen dat sprake is van een duidelijke en welbewuste keuze om naar Nederland te komen, er te blijven en Nederlander te blijven. Personen van Surinaamse herkomst die bij aankomst in Nederland jonger waren dan achttien jaar maar op 25 november 1975 wel de achttienjarige leeftijd hadden bereikt, in Nederland woonden en er sindsdien zijn gebleven, hebben immers evenzeer een duidelijke en welbewuste keuze gemaakt om in Nederland te blijven en Nederlander te blijven.
9.7.
Hoewel de Raad de redenering van appellant goed kan begrijpen, slaagt dit betoog niet. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het geformuleerde doel om een gebaar van erkenning te geven voor ervaren gevoelens van pijn en onrecht, hoezeer begrijpelijk en inleefbaar ook, juridisch weinig scherp is omlijnd en daarmee nauwelijks een bruikbare maatstaf biedt voor de beantwoording van de vraag of de criteria in de regeling geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken.
9.8.
Over de leeftijdsvoorwaarde zelf overweegt de Raad als volgt. De voorwaarde is dwingendrechtelijk geformuleerd en heeft twee componenten: (1) De eis dat iemand de leeftijd van achttien jaar moet hebben bereikt (2) op het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen. Blijkens de nota van toelichting heeft het kabinet de doelgroep van de regeling willen beperken tot personen die voor de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst welbewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen, omdat zij zich Nederlander voelden, en Nederlander wilden blijven. Zij zijn met bepaalde verwachtingen naar Nederland gekomen en maakten op basis van die verwachtingen een levensbepalende keuze. [12] Uit deze opmerkingen in de nota van toelichting blijkt dat de doelgroep bestaat uit personen die welbewust de levensbepalende keuze hebben gemaakt om naar Nederland te
komen. Klaarblijkelijk heeft de regelgever niet het oog gehad op personen die op het moment van verhuizing naar Nederland te jong werden geacht om zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname te maken, maar die wel vervolgens, bij de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst en daarna, de keuze hebben gemaakt in Nederland te
blijven.
9.9.
Naar het oordeel van de Raad is dit een afbakening van de doelgroep die niet in strijd is met enige hogere rechtsnorm, in dit geval het evenredigheidsbeginsel. Weliswaar was zeker denkbaar geweest de voorwaarde dat de achttienjarige leeftijd was bereikt te koppelen aan het moment van de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in plaats van aan het moment dat iemand in Nederland is gaan wonen. Zoals gezegd onder 9.4 en 9.7 past echter bij toetsing van een besluit aan dwingendrechtelijke bepalingen in regelgeving als de onderhavige een zeer terughoudende rechterlijke benadering. Dat betekent dat de leeftijdsvoorwaarde alleen onverbindend kan worden geacht als deze zeer duidelijk ongeschikt of niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. Dat is naar oordeel van de Raad voor wat betreft de keuze om de voorwaarde te koppelen aan het moment dat iemand in Nederland is gaan wonen niet het geval.
9.10.
Met de leeftijd van achttien jaar als moment waarop iemand zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken, is een objectiveerbare maatstaf aangelegd waarmee is aangesloten bij de Toescheidingsovereenkomst. Daarin is expliciet geregeld dat degenen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden, meerderjarig zijn in de zin van deze overeenkomst. [13] Verder is bepaald dat alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst in Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hadden, de Surinaamse nationaliteit verkregen. [14] Dit had het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. [15]
De keuze voor een leeftijdsvoorwaarde die aansluit bij artikel 1 van Pro de Toescheidingsovereenkomst, als objectiveerbare maatstaf of een welbewuste keuze is gemaakt voor verhuizing naar Nederland, kan de hier aan te leggen zeer terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Een dergelijke leeftijdsvoorwaarde is eveneens niet zeer duidelijk ongeschikt of niet noodzakelijk gelet op de doelgroep die de regelgever voor ogen had. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat artikel 3, aanhef en onder c, van het TBSH niet in algemene zin onverbindend is. Vervolgens moet worden beoordeeld of toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in het concrete geval van appellant niet in strijd komt met het recht.
Concrete toetsing van het bestreden besluit
10. Appellant heeft aangevoerd dat uit zijn levensloop blijkt dat hij bewust de keuze heeft gemaakt naar Nederland te komen, er te blijven en Nederlander te blijven. De Raad begrijpt dat appellant vindt dat de leeftijdsvoorwaarde in zijn geval onredelijk bezwarend uitpakt en daarom op hem niet mag worden toegepast.
10.1.
Dit betoog slaagt niet. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die hieraan niet voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Dit is het beoogde resultaat van het stellen van deze voorwaarde. Er is op geen enkele wijze gebleken dat die voorwaarde in het geval van appellant nadeliger uitpakt dan door de regelgever is beoogd, of om andere redenen onredelijk bezwarend is.

Conclusie en gevolgen

11. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van het TBSH in stand blijft.
12. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Kaderwet SZW-subsidies
Artikel 1, eerste lid
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of Onze Minister die belast is met de zorg voor een of meer onderdelen van het beleid, genoemd in artikel 2.
Artikel 2
Onze Minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in:
het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid;
het arbeidsomstandighedenbeleid;
het arbeidsverhoudingenbeleid;
het inkomensbeleid;
het socialezekerheidsbeleid;
het kinderopvangbeleid;
het inburgeringsbeleid en het integratiebeleid.
Het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst is een regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan is nadien overgenomen door andere bewindslieden die vallen onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 3, eerste lid
Onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van Onze Minister terzake van de verstrekking van subsidieregels worden gesteld met betrekking tot:
a. de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt;
b. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
c. de aanvraag van een subsidie en de besluitvorming daarover;
d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;
f. de vaststelling van de subsidie;
g. intrekking en wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling;
h. de betaling van de subsidie en het verlenen van voorschotten;
i. andere criteria voor de verstrekking van subsidie.
Artikel 9
Deze wet is, met uitzondering van artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op spoedeisende, tijdelijke verstrekking door Onze Minister van aanspraken op financiële middelen, niet zijnde subsidies, behoudens indien die aanspraak wordt verstrekt krachtens een andere wet.
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst
Artikel 2 Doel Pro van het besluit
Met dit besluit wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheids-proces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de Algemene Ouderdomswet is opgebouwd, en de politiek-bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.
Artikel 3V
oorwaarden recht op eenmalig bedrag
Een persoon heeft recht op een eenmalig bedrag, indien deze:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
Artikel 1, eerste lid
Meerderjarig in de zin van deze overeenkomst zijn zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt of vroeger in het huwelijk zijn getreden. (…)
Artikel 2
1. Het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van het Nederlanderschap tot gevolg.
2. Het verkrijgen van het Nederlanderschap ingevolge deze Overeenkomst heeft verlies van de Surinaamse nationaliteit tot gevolg.

Artikel 3

De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.
Artikel 5
1. Meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren of die, buiten Suriname geboren zijnde, behoren tot een van de in artikel 4 onder Pro b omschreven groepen van personen en die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst buiten de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, verkrijgen, ook buiten de Republiek Suriname, de Surinaamse nationaliteit door voor 1 januari 1986 hun wil daartoe te kennen te geven.
2. De in het eerste lid bedoelde personen hebben het recht te allen tijde met hun gezin onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer te worden behandeld. Zij verkrijgen van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, indien zij gedurende twee jaren in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.
3. De echtgenoten en de voor het jaar 2001 geboren kinderen adoptief-kinderen daaronder begrepen, van de in het eerste lid bedoelde personen hebben eveneens het recht op de voet van het tweede lid onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname te worden toegelaten.
4. Aan de in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen, zolang zij het Nederlanderschap bezitten, geen rechten worden verleend of verplichtingen worden opgelegd welke onverenigbaar zijn met het Nederlanderschap.
Artikel 7
1. Indien ingevolge deze Overeenkomst de nationaliteit van een echtgenoot wordt gewijzigd, heeft elk der echtelieden de bevoegdheid de nationaliteit van de andere echtgenoot te verkrijgen door binnen vijf jaar na die wijziging de wil daartoe te kennen te geven, mits de echtelieden op de dag van de kennisgeving beiden woonplaats of werkelijk verblijf hebben in hetzelfde land.
2. Personen als in het eerste lid bedoeld die een kennisgeving als daar bedoeld hebben gedaan, herkrijgen na de ontbinding van het huwelijk of de nietigverklaring daarvan de nationaliteit die zij onmiddellijk voor het doen van die kennisgeving bezaten, door binnen drie jaar na de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk hun wil daartoe te kennen te geven.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Zie de uitspraak van 21 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4007.
3.Artikel 3, eerste lid, onder b, van de Leerplichtwet 1969.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016; uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
5.Zie de uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:748.
6.Verwezen wordt naar de uitspraak van 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016.
7.Bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 20 361, nr. 197.
8.Aanvullende inkomensondersteuning ouderen.
9.Bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 20 361, nr. 201.
10.Kamerstukken II 2022/23, 20 361, nr. 220.
11.Stb. 2023, 386, p. 6-7.
12.Stb. 2023, 386, p. 7.
13.Artikel 1, eerste lid, van de Toescheidingsovereenkomst, Trbl. 1975, 132.
14.Artikel 3 van Pro de Toescheidingsovereenkomst.
15.Artikel 2, eerste lid, van de Toescheidingsovereenkomst.