ECLI:NL:CRVB:2026:356

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/50 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 47 Wet WIAArt. 6 EVRMArt. 8:114 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning WGA-uitkering en weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig algemeen manager, werd sinds 16 juni 2021 volledig arbeidsongeschikt geacht, maar het UWV weigerde een IVA-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Na diverse rapporten en een eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank, stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullend rapport dat herstel na het eerstkomende jaar mogelijk is door gerichte therapieën.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV het gebrek had hersteld. Appellant stelde dat zijn beperkingen duurzaam zijn en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke inschatting heeft gemaakt van de kans op herstel na het eerstkomende jaar, mede op basis van de behandelmogelijkheden genoemd door psychiater Kaya. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen. De Raad wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af, maar veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitkomst: Appellant ontvangt terecht een WGA-uitkering en geen IVA-uitkering; verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, maar proceskosten worden toegewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/50 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2024, 23/6229 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 16 juni 2021 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVAuitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. M. Hoefs, advocaat en opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.C.A.M. Weterings.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als algemeen manager (horeca) voor gemiddeld 39,85 uur per week. Op 19 juni 2019 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Nadat het dienstverband van appellant is beëindigd, is aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Vervolgens heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend en heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2021. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 68,59%. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juni 2021 aan appellant met ingang van 16 juni 2021 een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.2.
Bij besluit van 3 januari 2022 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aanvullende beperking aangenomen voor het beoordelingspunt beroepsmatig vervoer (2.11) en heeft op 30 december 2021 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand hiervan geconcludeerd dat de geduide functies nog steeds geschikt zijn voor appellant.
1.3.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 mei 2023 het beroep van appellant tegen het besluit van 3 januari 2022 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom geen nader fysiek onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook is het de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle genoemde klachten heeft betrokken bij de beoordeling. Daarnaast zijn naar het oordeel van de rechtbank de door appellant ingebrachte rapporten van de door hem ingeschakelde arts J.H.L. Wijers van 23 augustus 2022 en 12 april 2023 zorgvuldig, inzichtelijk en consistent onderbouwd. De rechtbank heeft de contra-expertise van Wijers gevolgd.
1.4.
Op 6 september 2023 heeft het Uwv een nieuw besluit (bestreden besluit) genomen. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant vanaf 16 juni 2021 volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt wordt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 4 augustus 2023 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand hiervan onvoldoende passende functies kunnen duiden en daarom de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 80 tot 100%.
1.5.
Met een tussenuitspraak van 14 mei 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat er op de datum in geding een redelijk tot goede verwachting was dat de belastbaarheid van appellant zou verbeteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzuimd een concrete inschatting te maken van de kans op herstel van de door psychiater F. Kaya genoemde mogelijkheden om appellant te behandelen. Volgens de rechtbank is het onvoldoende duidelijk in welke mate en op welke aspecten de belastbaarheid van appellant naar verwachting zal verbeteren naar aanleiding van de door Kaya genoemde behandelingen en waarom een positief resultaat te verwachten is. Naar het oordeel van de rechtbank komt het bestreden besluit om deze reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak op 8 juni 2024 een aanvullend rapport opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellant in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks is te verwachten, maar dat na het eerstkomende jaar nog verbetering verwacht kan worden gezien de duidelijke gerichte therapieën, op grond waarvan sprake is van een gunstige prognose. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 8 juni 2024 een fictieve FML opgesteld waarbij alleen de duurzame beperkingen zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand van deze FML functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,92% berekend. Dit betekent volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat wanneer enkel wordt uitgegaan van de duurzame beperkingen, per datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Daarom heeft het Uwv zijn standpunt, dat appellant niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven, omdat het Uwv in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld. Daarnaast heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant van € 1.500,-, vanwege schending van de redelijke termijn. Eveneens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van het griffierecht.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het rapport van 8 juni 2024 een voldoende concrete inschatting gemaakt van de kans van herstel door de behandelmogelijkheden die psychiater Kaya heeft genoemd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft concrete behandelresultaten voor verbetering van de belastbaarheid van appellant genoemd, deze voldoende onderbouwd en duidelijk gemaakt in welke mate en op welke aspecten van de belastbaarheid van appellant een positief resultaat kan worden verwacht. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek hersteld.
2.2.
In wat appellant heeft aangevoerd, waarbij appellant heeft verwezen naar een reactie van de door hem ingeschakelde arts Wijers van 6 augustus 2024, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist aan te houden. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig beeld gehad van de medische situatie van appellant op de datum in geding. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten en beperkingen van appellant alsmede de voorgenomen behandelingen voldoende meegewogen bij de vraag of de beperkingen van appellant duurzaam zijn te achten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij stelt zich op het standpunt dat hij per 16 juni 2021 in aanmerking moet komen voor een IVA-uitkering, omdat zijn beperkingen duurzaam zijn. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een aanvullend rapport van Wijers van 31 december 2025 overgelegd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn standpunt en ten onrechte geen onafhankelijke deskundige benoemd. Verder voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten heeft vergoed in verband met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. Tot slot heeft appellant in hoger beroep wederom verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een aanvullend rapport opgesteld.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
4.2.
Gelet op de door partijen ingenomen standpunten ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 16 juni 2021, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is.
4.3.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. [1] Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.4.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of na het eerstkomende jaar na de datum in geding een redelijke of goede verwachting was dat verbetering van de belastbaarheid van appellant zou optreden. Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het rapport van 8 juni 2024 een voldoende concrete inschatting heeft gemaakt van de kans dat appellant herstelt na het eerstkomende jaar door de behandelmogelijkheden die behandelend psychiater Kaya heeft genoemd, wordt onderschreven.
4.5.
Zo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 juni 2024 aan de hand van de informatie van psychiater Kaya van rond de datum in geding voldoende gemotiveerd welke behandelingen er nog mogelijk waren, wat de duur is van deze behandelingen en wat de te verwachten resultaten hiervan zijn. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep concreet aangegeven op welke beoordelingspunten in de FML verbeteringen kunnen worden verwacht. Appellant heeft met het rapport van Wijers van 31 december 2025 onvoldoende weerlegd dat er op de datum in geding geen behandelmogelijkheden waren die tot verbetering van zijn belastbaarheid kunnen leiden. De stelling van Wijers dat de behandeling van psychiater Kaya op de datum in geding nog niet was aangeslagen, betekent niet dat er op dat moment geen behandelmogelijkheden waren. Immers, psychiater Kaya heeft in een brief van 30 juni 2021 juist vermeld dat werd uitgezocht waar appellant eventueel een klinische behandeling zou kunnen krijgen. Verder heeft Wijers in zijn reacties gewezen op informatie van de maatschappelijk werkster en de behandelend psychiater na de datum in geding, het beloop van de behandelingen en het uitblijven van een verbetering, mede gelet de op onderlinge samenhang van de psychische en somatische aandoeningen. Wijers heeft daarbij onder meer gewezen op somatische aandoeningen. Op de datum in geding was daarvan echter geen sprake. Bovendien is volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat een behandeling, achteraf gezien, geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan was te verwachten, geen grond om aan te nemen dat de door de verzekeringsarts uitgesproken verwachting, die ten tijde van belang bestond, onjuist was. [2]
4.6.
Ook de stelling van Wijers dat onvoldoende rekening is gehouden met de complexiteit en verwevenheid van de klachten van appellant wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullend rapport van 27 januari 2026 benadrukt dat er gezien de problematiek en de recentere bevindingen van psychiater Kaya omtrent de verslavingsproblematiek geen sprake is geweest van op dat moment adequate therapieën. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dient appellant een uitgebreid programma te doorlopen met verschillende therapieën voor complexe psychiatrische problematiek waarbij sprake is van geleidelijke overgangen tussen de behandelingen. Anders dan Wijers doet voorkomen gaat het hier niet om de beste manier van behandeling, maar om het verwachte resultaat dat de behandelingen met zich meebrengen. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en wijst om die reden het verzoek een onafhankelijk deskundige te benoemen af.
Redelijke termijn en proceskostenvergoeding
4.7.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.8.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [3]
4.9.
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 17 juni 2021 tot de datum van de uitspraak in het hoger beroep zijn vier jaar en bijna tien maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) tien maanden overschreden. Dit leidt in beginsel tot een vergoeding van € 1.000,-. De rechtbank heeft het Uwv reeds veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de rechtbank een hoger bedrag aan schadevergoeding aan appellant heeft toegekend, bestaat er geen aanleiding een aanvullende schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek van appellant wordt daarom afgewezen.
4.10.
Verder heeft appellant verzocht om vergoeding van de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep. De rechtbank had dit verzoek van appellant moeten toewijzen. Daarom zal de Raad bepalen dat het Uwv de proceskosten van appellant voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep alsnog dient te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt in zoverre dat appellant in aanmerking komt voor een proceskostenveroordeling in beroep in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over deze proceskostenveroordeling. Voor het overige bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. Nu het hoger beroep slaagt, bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Ook bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de griffier van de Raad het door appellant betaalde griffierecht in hoger beroep van € 143,- vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de proceskostenvergoeding in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.401,‑;
  • bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage

Artikel 4 van Pro de Wet WIA
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Artikel 47 van Pro de Wet WIA
1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
2. Het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.
Artikel 6 van Pro het EVRM
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Voetnoten

1.CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:862.
3.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.