ECLI:NL:CRVB:2026:354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/159 BESLU
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:2 AwbArt. 8:88 AwbTitel 8.4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens rechtmatig besluit UWV

Appellant ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering en heeft in 2017 een verzoek tot herbeoordeling ingediend, waarna het UWV de uitkering met terugwerkende kracht verhoogde. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding omdat hij meent dat het besluit van 28 juni 2017 onrechtmatig is en schade heeft veroorzaakt.

De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat het besluit in rechte vaststaat en niet onrechtmatig is. Het feit dat het UWV met terugwerkende kracht een hogere uitkering betaalde, betekent niet dat het besluit onrechtmatig is. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt dat het UWV het besluit niet onrechtmatig heeft erkend en dat het beroep van appellant op eerdere jurisprudentie niet opgaat. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat het besluit van 28 juni 2017 rechtmatig is en in rechte vaststaat.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/159 BESLU
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2024, 22/3148 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding van appellant heeft afgewezen. Volgens het Uwv is geen sprake van een onrechtmatig besluit, waardoor er geen grond is het Uwv te veroordelen tot betaling van schadevergoeding die appellant zou hebben geleden. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Wiltjer-Rienstra.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 4 oktober 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is toen vastgesteld op 25 tot 35%.
1.2.
Bij brief van 8 september 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat door een wijziging van de wettelijke regels hij in de periode tussen 1 oktober 2004 en 1 april 2007 opnieuw wordt beoordeeld. Naar aanleiding van deze herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2006 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 juni 2006 is toegenomen, maar dat de toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na toekenning van de uitkering heeft plaatsgevonden en dat daarom vanaf 1 juni 2006 een wachttijd van 104 weken is gaan lopen. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat indien appellant 104 weken toegenomen arbeidsongeschikt blijft, hij na deze periode mogelijk in aanmerking komt voor een verhoging van zijn uitkering, waarbij hem is geadviseerd om vier maanden voor de mogelijke verhoging opnieuw contact met het Uwv op te nemen. Bij besluit van 30 mei 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2006 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant geen beroep ingesteld.
1.3.
Appellant heeft op 3 februari 2017 een verzoek tot herbeoordeling ingediend. Hij meent dat hij vanaf mei 2004 volledig arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding hiervan is appellant onderzocht door een arts van het Uwv. Bij besluit van 28 juni 2017 heeft het Uwv meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 29 mei 2008, te weten 104 weken na 1 juni 2006, wordt verhoogd naar 80 tot 100% en dat de uitkering van appellant opnieuw is berekend. Bij besluit van 27 juli 2017 heeft het Uwv over de periode 29 mei 2008 tot en met 30 juni 2017 een nabetaling van € 74.026,89 netto aan appellant gedaan. Ook heeft het Uwv over de periode 16 mei 2017 tot en met 27 juli 2017 de wettelijke rente vergoed tot een bedrag van € 563,04.
1.4.
Bij besluit van 28 maart 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2017 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft onder meer overwogen dat het appellant niet te verwijten viel dat hij pas zeer laat actie had ondernomen betreffende zijn claim dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat daarom aanleiding was om aan appellant met terugwerkende kracht vanaf 29 mei 2008 een volledige WAO-uitkering toe te kennen. Het beroep van appellant tegen het besluit van 28 maart 2018 is bij uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2019 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 17 februari 2021 [1] deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.5.
Op 16 mei 2022 heeft appellant bij het Uwv een verzoek om schadevergoeding ingediend. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het Uwv met de nabetaling de onrechtmatigheid van het besluit van 28 juni 2017 heeft erkend en dat hij naar aanleiding van dit onrechtmatig besluit schade heeft geleden. Bij besluit van 2 juni 2022 heeft het Uwv het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.
1.6.
In zijn verzoekschrift van 14 juli 2022 heeft appellant de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit belastingschade, vermogensschade, immateriële schade en wettelijke rente.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding van appellant afgewezen. Daarom wordt niet toegekomen aan het bespreken van de door appellant beschreven schadeposten en de onderbouwing daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is er namelijk geen sprake van een onrechtmatig besluit op grond waarvan een plicht tot schadevergoeding door het Uwv is ontstaan. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat het besluit van 28 juni 2017 een onrechtmatig besluit zou zijn niet gevolgd. Volgens de rechtbank betekent dat het Uwv zou hebben erkend dat in 2007 of 2008 een fout zou zijn gemaakt niet dat het besluit van 28 juni 2017 als onrechtmatig besluit moet worden beschouwd. Het bezwaar, beroep en hoger beroep van appellant tegen het besluit van 28 juni 2017 heeft immers niet geleid tot een herziening of vernietiging van dat besluit. Daarmee is het besluit in rechte komen vast te staan en om die reden rechtmatig. Het kan dan ook niet tot een grondslag voor schadevergoeding leiden. Dat het Uwv met terugwerkende kracht de verhoging van WAOuitkering van appellant heeft betaald, betekent niet dat daarmee de onrechtmatigheid van dit besluit of een ander besluit is komen vast te staan.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het besluit van 28 juni 2017 als onrechtmatig besluit is aan te merken, waardoor appellant in aanmerking komt voor een schadevergoeding. Volgens appellant heeft het Uwv met dit besluit erkend dat is nagelaten vanaf 2008 de verhoogde uitkering te betalen. Daarmee is volgens appellant de onrechtmatigheid van het besluit gegeven. Appellant heeft hierbij een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 20 januari 2016. [2] Volgens appellant dient het Uwv dan ook het bedrag aan wettelijke rente, belastingschade, immateriële schade en vermogensschade te vergoeden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft die afdoende besproken. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting nogmaals benadrukt dat de grondslag van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding is gelegen in de onrechtmatigheid van het besluit van 28 juni 2017 en dat op het schadeverzoek titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen staat het besluit van 28 maart 2018, waarbij het besluit van 28 juni 2017 werd gehandhaafd, in rechte vast en daarmee is de rechtmatigheid van dat besluit een gegeven. Daar komt bij dat het Uwv ook niet heeft erkend dat het besluit van 28 juni 2017 onrechtmatig is. Het Uwv heeft gemotiveerd toegelicht dat dat besluit is genomen naar aanleiding van een aanvraag tot een herbeoordeling van appellant van 3 februari 2017. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 20 januari 2016 gaat niet op, reeds omdat het Uwv in die zaak wel had erkend dat sprake was van een onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding terecht door de rechtbank is afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage

Artikel 8:88 van Pro de Awb
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

Voetnoten

1.CRvB 17 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:328.
2.CRvB 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:295.