ECLI:NL:CRVB:2026:343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-uitbetaling WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontslag
Appellant trad op 5 februari 2024 in dienst bij een werkgever en beëindigde zijn dienstverband per direct op 25 maart 2024 wegens vermeend onprofessioneel gedrag en privacyschending door de werkgever. Hij vroeg een WW-uitkering aan per 22 maart 2024. Het Uwv kende aanvankelijk een WW-uitkering toe, maar trok deze later in en besloot de uitkering niet uit te betalen omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door eigen ontslag zonder dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing. De rechtbank oordeelde dat de privacyschending door de werkgever niet ernstig genoeg was om voortzetting van het dienstverband onredelijk te maken. Appellant stelde dat een onveilige werkomgeving en psychische belasting, gecombineerd met de privacyschending, voortzetting onmogelijk maakten, maar kon dit niet concreet onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Volgens de WW-wetgeving is een werknemer die zelf ontslag neemt in beginsel verwijtbaar werkloos, tenzij voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Appellant slaagde er niet in deze uitzondering aannemelijk te maken. Het hoger beroep werd verworpen en het besluit tot niet-uitbetaling van de WW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt niet uitbetaald omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door eigen ontslag zonder gegronde reden.