ECLI:NL:CRVB:2026:318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toegenomen beperkingen
Appellant heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) telkens heeft geweigerd deze toe te kennen. De eerste afwijzing dateert uit april 2000, gevolgd door een tweede afwijzing in 2001 en een laatste in 2023. Het Uwv stelde vast dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om terug te komen op het oorspronkelijke besluit, noch was er sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de relevante periode.
De rechtbank Oost-Brabant vernietigde het bestreden besluit van het Uwv en kende appellant een vergoeding toe, omdat de beoordeling volgens de rechtbank op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) had moeten plaatsvinden. Het Uwv en appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn en dat de medische klachten van appellant niet wezenlijk verschillen van die in 2000. Ook is geen sprake van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. De Raad wijst het hoger beroep van appellant af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten omdat het hoger beroep niet slaagt. De Raad ziet geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige, aangezien er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten en toegenomen beperkingen.