ECLI:NL:CRVB:2026:318

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
25/893 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene arbeidsongeschiktheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en toegenomen beperkingen

Appellant heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) telkens heeft geweigerd deze toe te kennen. De eerste afwijzing dateert uit april 2000, gevolgd door een tweede afwijzing in 2001 en een laatste in 2023. Het Uwv stelde vast dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om terug te komen op het oorspronkelijke besluit, noch was er sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de relevante periode.

De rechtbank Oost-Brabant vernietigde het bestreden besluit van het Uwv en kende appellant een vergoeding toe, omdat de beoordeling volgens de rechtbank op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) had moeten plaatsvinden. Het Uwv en appellant gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn en dat de medische klachten van appellant niet wezenlijk verschillen van die in 2000. Ook is geen sprake van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. De Raad wijst het hoger beroep van appellant af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.

Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten omdat het hoger beroep niet slaagt. De Raad ziet geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige, aangezien er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten en toegenomen beperkingen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/893 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 april 2025, 24/2935 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van april 2000, waarin het Uwv weigerde appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er ten opzichte van het besluit van april 2000 geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat het Uwv van dat besluit moest terugkomen. Daarnaast is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid en bestaat geen aanleiding om voor de toekomst terug te komen van het besluit van april 2000. Het Uwv heeft de Wajong-aanvraag van 26 juli 2023 daarom terecht afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1979, heeft met een door het Uwv op 26 januari 2000 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant oogklachten, vermoeidheidsklachten en eczeem heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de oogarts. Het Uwv heeft vervolgens met een besluit van april 2000 geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Op 4 juni 2001 heeft appellant voor de tweede keer een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Het Uwv heeft deze aanvraag eveneens afgewezen.
1.3.
Op 26 juli 2023 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht en onder meer geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 2000. Er is ook geen situatie van toegenomen beperkingen (Amber). Met een besluit van 15 september 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.4.
Bij besluit van 31 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank appellant een vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht toegekend.
2.1.
Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de aanvraag van appellant heeft opgevat als een verzoek om voor het verleden terug te komen van het eerdere besluit van april 2000, als een aanvraag om voor de toekomst terug te komen van dit besluit en als een melding van toegenomen klachten. De beoordeling van het verzoek om terug te komen van het besluit van april 2000 en het verzoek om herziening voor de toekomst had moeten plaatsvinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat appellant is geboren voor 1 januari 1980. Om die reden is het beroep gegrond en heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.
2.2.
Over het verzoek om terug te komen van de eerdere afwijzing heeft de rechtbank daarnaast overwogen dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven de eerdere besluiten over de Wajong-uitkering te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 juli 2024 gemotiveerd aangegeven waarom naar zijn oordeel geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op medisch gebied. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan dit oordeel. Appellant komt met informatie over zijn huid- en oogklachten die niet wezenlijk anders is dan in 2000 al is meegenomen. Voor wat betreft de informatie over de energetische belemmeringen heeft het Uwv terecht aangenomen dat het daarbij niet gaat over klachten die zien op appellants situatie in de referteperiode. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te oordelen dat de weigering om terug te komen van het besluit van april 2000 als evident onredelijk moet worden aangemerkt. Daarom is er ook geen reden om voor de toekomst van dat besluit terug te komen.
2.3.
Over het beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht in aanmerking heeft genomen dat voor de beoordeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid de periode vanaf de achttiende verjaardag op [geboortedatum] 1997 relevant is. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de herhaalde aanvraag geen informatie geeft over de periode van [geboortedatum] 1997 tot [geboortedatum] 2002. De rechtbank is het met het Uwv eens dat appellant niet met medische gegevens heeft onderbouwd dat zijn beperkingen in die periode zijn toegenomen. Gelet hierop bestaat geen twijfel aan de juistheid van de conclusie van het Uwv dat niet is gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De medische situatie van appellant is onjuist ingeschat, omdat zijn aandoeningen afzonderlijk zijn beoordeeld en niet in samenhang met elkaar. Daarnaast is sprake van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. Tot slot heeft appellant verzocht een deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De Raad heeft eerder [1] geoordeeld dat een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van Pro de Awb), dan wel een beroep wordt gedaan op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid, ofwel om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak).
5.2.
Het verzoek van appellant van 26 juli 2023 strekt ertoe dat het Uwv voor zowel het verleden als de toekomst terugkomt van het besluit van april 2000 (oorspronkelijk besluit), welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Daarnaast heeft hij een beroep gedaan op de zogeheten regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid gedurende vijf jaar na zijn achttiende verjaardag.
Verzoek om terug te komen van het besluit van april 2000 (verleden en toekomst)
5.3.
Op het verzoek van appellant van 26 juli 2023 heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
5.4.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant ingediende (medische) stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De Raad volgt het Uwv in zijn standpunt dat ook de door appellant in hoger beroep benadrukte vermoeidheidsklachten niet zijn aan te merken als een nieuw feit. Appellant heeft al bij zijn aanvraag in 2000 benoemd vermoeidheidsklachten te hebben. Deze aanvraag is destijds betrokken bij de beoordeling, waardoor ook deze klachten dus al bekend waren.
5.5.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.6.
Appellant wordt daarnaast niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv zijn vermoeidheids-, eczeem- en oogklachten ten onrechte niet in samenhang heeft beoordeeld. De verzekeringsarts heeft bij de eerste beoordeling in 2000 rekenschap gegeven van alle aandoeningen en de daaruit voortkomende klachten van appellant en heeft daarvoor beperkingen aangenomen. In verband met energetische klachten zijn beperkingen aangenomen voor fysiek sterk belastende activiteiten en voor piekbelasting. Niet is gebleken dat de aandoeningen geïsoleerd zijn beoordeeld en daarmee sprake is van een onjuist besluit. Om die reden heeft het Uwv eveneens terecht geen aanleiding gezien om voor de toekomst terug te komen van het besluit van april 2000.
Toegenomen arbeidsongeschiktheid
5.7.
Tot slot heeft appellant aangevoerd dat sprake is van toegenomen beperkingen in de vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. Deze grond slaagt niet. Appellant heeft niet met medische informatie onderbouwd waaruit deze gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid blijkt. Uit de brieven van de oogarts uit 1998, waar appellant ter zitting naar heeft verwezen, kan geen toename van de oogklachten worden afgeleid. De brieven van Ergon en de rapporten die zijn opgesteld in het kader van de indicatie banenafspraak en indicatie beschut werk, dateren van ruim na de periode in geding en vormen daarmee ook geen onderbouwing van toegenomen arbeidsongeschiktheid in die periode. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 15 november 2024 bovendien inzichtelijk gemotiveerd dat de verslechtering bij appellant pas na 6 mei 2015 heeft plaatsgevonden en daarmee buiten de voor de Wajong relevante periode valt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan hierin worden gevolgd.
5.8.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.CRvB 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.
2.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.