ECLI:NL:CRVB:2026:313

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/511 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en niet hoofdverblijf op uitkeringsadres

Het college van burgemeester en wethouders van Helmond heeft de bijstand van betrokkene ingetrokken en de kosten van bijstand over 2021 teruggevorderd omdat betrokkene niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven uitkeringsadres en de inlichtingenverplichting schond.

De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat het waterverbruik op het uitkeringsadres volgens de rechtbank was gebaseerd op een schatting. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat het waterverbruik van slechts 1 m3 in 2021 niet is geschat maar gebaseerd op een opgave van betrokkene zelf, wat extreem laag is en de vooronderstelling rechtvaardigt dat de woning niet bewoond wordt.

Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat het lage waterverbruik komt doordat de woning een bouwval was met defecte waterleidingen en riolering, en dat hij doordeweeks elders verbleef vanwege mantelzorg. Deze verklaring is niet met controleerbare gegevens onderbouwd en bevestigt juist dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven niet op het uitkeringsadres lag.

De Raad oordeelt dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien faalt omdat de terugvordering niet door het college is veroorzaakt maar door betrokkene zelf. De Raad verklaart het beroep ongegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

23.511 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022, 22/1825 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Zitting heeft: E.C.E. Marechal als voorzitter, W.F. Claessens en C. Karman als leden
Griffier: R.R. Olde Engberink
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.L.J. Stahl. Betrokkene is verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2022 ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het college heeft de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.437,65 van betrokkene teruggevorderd. Met een besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college deze intrekking en terugvordering na bezwaar gehandhaafd. Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven uitkeringsadres, dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college verwijst hiervoor onder meer naar het waterverbruik op het uitkeringsadres dat in 2021 slechts 1 m3 was en dus extreem laag.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het intrekkings- en terugvorderingsbesluit herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat het waterverbruik van 1 m3 over 2021 is gebaseerd op een schatting en dat daaraan geen doorslaggevende betekenis toekomt bij de vaststelling van het hoofdverblijf van betrokkene.
3. Zoals ook ter zitting door betrokkene is erkend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat ten aanzien van het waterverbruik over het jaar 2021 sprake was van een schatting. Uit de door het college van het waterbedrijf verkregen informatie blijkt dat het waterverbruik is gebaseerd op een opgave van betrokkene zelf. Vast staat dan ook dat op het uitkeringsadres in 2021 slechts 1 m3 water is verbruikt. Dat waterverbruik is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1] Dat heeft de rechtbank, omdat het van verkeerde feiten is uitgegaan, niet onderkend. Alleen al hierom slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.
4. Vervolgens beoordeelt de Raad de door de rechtbank nog niet besproken beroepsgronden. Ten eerste ligt daarbij ter beoordeling voor of betrokkene erin is geslaagd om de hiervoor genoemde vooronderstelling te weerleggen. Dat is niet het geval. Betrokkene heeft voor het eerst op zitting in hoger beroep verklaard dat het extreem lage waterverbruik in 2021 komt door het feit dat hij de hoofdkraan had afgesloten, omdat de woning op het uitkeringsadres feitelijk een bouwval was. Zo waren volgens hem de waterleidingen en de riolering defect en was betrokkene als gevolg daarvan aangewezen op alternatieve voorzieningen. Zijn was deed betrokkene elders en hij kon ook niet thuis douchen en gebruik maken van een op het riool aangesloten toilet. Nog daargelaten dat betrokkene deze verklaring niet met controleerbare gegevens heeft onderbouwd, verklaren deze omstandigheden weliswaar het extreem lage waterverbruik, maar bevestigen deze – in samenhang bezien met wat betrokkene verder ter zitting heeft verklaard – juist ook dat hij in 2021 inderdaad niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. [2] Zo heeft betrokkene verklaard dat hij alleen in de weekenden in de woning op het uitkeringsadres sliep en daar nooit bezoek ontving, juist omdat die woning een bouwval betrof en de voorzieningen niet bruikbaar waren en ook omdat hij mantelzorg verleende aan verschillende mensen. Doordeweeks verbleef betrokkene daardoor op andere adressen. Aldus bevond zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven van betrokkene niet op het uitkeringsadres. De omstandigheden dat betrokkene in de Basisregistratie Personen op het uitkeringsadres stond ingeschreven, in de woning op dat adres nog spullen had en voor die woning in 2021 een lopend internetabonnement had, zijn in dit geval onvoldoende voor een andersluidend oordeel.
5. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene in 2021 niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. Vaststaat dat betrokkene dat niet aan het college heeft gemeld en daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was daarom verplicht om de bijstand van betrokkene vanaf 1 januari 2021 in te trekken en de over de periode van januari tot en met december 2021 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene terug te vorderen.
6. Verder heeft betrokkene al in beroep aangevoerd dat de terugvordering niet in verhouding staat tot zijn aandeel. Als het college eerder onderzoek naar zijn waterverbruik had gedaan en op een eerder moment een huisbezoek had afgelegd, dan was het college eerder op de hoogte geweest van de feitelijke situatie en was de terugvordering niet zo hoog opgelopen. De Raad vat dit betoog van betrokkene op als een beroep op dringende redenen. Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen niet.
7. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [3] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
8. Het college heeft wat betrokkene heeft aangevoerd niet hoeven aanmerken als dringende redenen. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst is hierbij van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het college, maar door schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene. Betrokkene heeft immers onder meer niet bij het college gemeld dat hij doordeweeks op andere adressen verblijft en gebruik maakt van voorzieningen op andere adressen. Om die reden was er voor het college ook geen aanleiding om onderzoek te doen naar het hoofdverblijf van betrokkene. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering wijst de Raad op de regels over de beslagvrije voet die betrokkene bescherming bieden en op het beleid van het college waaruit volgt dat na een periode van tien jaar kan worden verzocht om kwijtschelding van de resterende vordering.
9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) E.C.E. Marechal

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986.
2.Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is.