ECLI:NL:CRVB:2026:248

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/226 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWet op de werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking in familiezorg

Appellante verleende zorg aan haar schoonvader op basis van een zorgovereenkomst van november 2019 tot diens overlijden in juli 2021. Na afloop van haar WW-uitkering en ZW-uitkering weigerde het Uwv haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waarbij met name het element van gezag werd betwist.

De rechtbank oordeelde dat arbeid en loon wel aanwezig waren, maar dat een gezagsverhouding ontbrak, mede vanwege de familierelatie en het feit dat toezicht en evaluatie van de werkzaamheden niet door de schoonvader maar door andere familieleden plaatsvond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij consistent werkte zonder instructies en dat de coronasituatie het ontbreken van ziekmeldingen verklaarde. Ook stelde zij dat zij onjuist was geïnformeerd door het zorgkantoor.

De Raad volgde de rechtbank en stelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. De Raad benadrukte dat de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf moet plaatsvinden en dat het niet uitmaakt of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst als arbeidsovereenkomst te kwalificeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking door het ontbreken van een gezagsverhouding.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/226 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2024, 24/3733 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 februari 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt in deze uitspraak dat appellante niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringswetten.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Wernik, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante heeft op basis van een zorgovereenkomst vanaf 4 november 2019 zorg verleend aan haar schoonvader. Op 26 juli 2021 is haar schoonvader overleden. Per 1 augustus 2021 heeft het Uwv aan appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
1.2.
Op 22 september 2021 heeft appellante zich vanuit deze situatie ziekgemeld en heeft het Uwv haar na afloop van haar maximale WW-recht een ZW-uitkering toegekend.
1.3.
Bij besluit van 10 november 2023 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat is gebleken dat appellante niet verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringswetten.
1.4.
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 31 oktober 2021 ingetrokken. De onverschuldigd betaalde bedragen worden niet teruggevorderd.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 29 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 november 2023 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante niet verplicht was verzekerd voor de werknemersverzekeringswetten, omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Volgens het Uwv is niet voldaan aan de elementen loon en gezag.
Nadere besluitvorming
1.6.
Bij besluit van 23 september 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante ingetrokken. De onverschuldigd betaalde bedragen worden niet teruggevorderd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat is voldaan aan twee van de drie elementen van de privaatrechtelijke dienstbetrekking, namelijk arbeid en loon. Met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en haar schoonvader. [1] Er is sprake van een familierelatie en in zo’n geval moet worden beoordeeld of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan gezag van de wederpartij is onderworpen en of die arbeidsrelatie vergelijkbaar is met die van een werknemer zonder familierelatie. In het onderzoek van het Uwv is een vragenlijst voorgelegd aan appellante. Op de vraag wie toezag op de kwaliteit en voortgang van de werkzaamheden van appellante, is geantwoord dat toezicht plaatsvond door haar echtgenoot, tevens de budgethouder en vertegenwoordiger van schoonvader. Gesprekken over de voortgang werden gevoerd door haar echtgenoot en haar schoonmoeder. De werkzaamheden werden niet geëvalueerd en appellante werd niet ter verantwoording geroepen voor de wijze waarop de werkzaamheden plaatsvonden, aldus de antwoorden op de vragenlijst. Daaruit blijkt niet dat sprake was van een gezagsverhouding met schoonvader. Ter zitting is toegelicht dat appellante de meeste dagen om acht uur ‘s ochtends begon, maar dat dat ook afhing van het moment waarop haar schoonvader wakker werd. In de periode van bijna twee jaar dat appellante voor haar schoonvader zorgde, heeft zij zich niet ziekgemeld en is geen sprake geweest van verlof of vakantie. Hoe het zou gaan in het hypothetische geval dat appellante ziek zou zijn geweest in die twee jaar, is niet duidelijk geworden. Voor een werknemer zonder familierelatie zou gewoonlijk een periode van verlof hebben plaatsgevonden in de bijna twee jaar dat appellante voor haar schoonvader heeft gezorgd en in elk geval zou duidelijk zijn hoe appellante dat verlof kon aanvragen, of hoe zij zich ziek zou moeten melden.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat ook de beroepsgrond van appellante dat zij onjuist is geïnformeerd door het Uwv, niet slaagt. In het gesprek met het zorgkantoor is volgens appellante een van de standaardovereenkomsten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) geadviseerd en is aangeraden de loonadministratie uit te besteden aan de SVB. Uit de toelichting van appellante heeft de rechtbank niet kunnen concluderen dat het zorgkantoor heeft beloofd dat appellante verzekerd zou zijn voor de werknemersverzekeringen. Maar zou dat het geval zijn, dan is dat informatie die niet van het Uwv afkomstig is. Het Uwv kan daaraan niet worden gebonden. Zou appellante aannemelijk maken dat zij of haar schoonvader hebben gedwaald bij de totstandkoming van de overeenkomst, dan zou dat hooguit kunnen leiden tot vernietiging van die overeenkomst en dat maakt niet dat appellante dan wel is verzekerd voor de Wet WIA.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante handhaaft haar standpunt dat is voldaan aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, ook de gezagsverhouding. Appellante voert aan dat zij consistent haar werkzaamheden uitvoerde en daarom geen instructies nodig waren. De werkzaamheden vonden plaats in de coronatijd en van ziekmelding of vakantie was (daarom) geen sprake. Verder heeft appellante opnieuw aangevoerd dat zij heeft gedwaald bij het sluiten van de zorgovereenkomst, althans dat zij onjuist is geïnformeerd en dit haar niet kan worden aangerekend nu zij juist het advies van een deskundige van het zorgkantoor heeft ingewonnen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. [2] Artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf [3] worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. [4]
5.2.
Nu appellante een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een WIAuitkering, ligt het in beginsel op haar weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan. [5]
5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en haar schoonvader. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden volledig onderschreven. De Raad volstaat daarnaar te verwijzen.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.M.A. van de Geijn
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde, werknemer en dienstbetrekking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 15 april 2020, ECLl:NL:CRVB:2020:949 en van 13 maart 2019, ECLl:NL:CRVB:2019:1089.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.
3.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
4.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (Participatieplaats) en HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156.