ECLI:NL:CRVB:2026:241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/2699 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WWArt. 22a WWArt. 36 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WW-uitkering wegens gelijktijdige ZW-uitkering zonder dringende reden

Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 30 augustus 2022, die per 1 december 2022 werd stopgezet omdat hij niet aan zijn WW-verplichtingen voldeed. Op 10 januari 2023 meldde appellant zich met terugwerkende kracht ziek vanaf 28 augustus 2022, waarna het UWV een ZW-uitkering toekende vanaf 31 augustus 2022. Hierdoor werd de WW-uitkering over de periode 30 augustus tot en met 30 november 2022 ingetrokken en teruggevorderd.

Appellant voerde aan dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien vanwege zijn schuldenproblematiek en verwees naar een vergelijkbare zaak waarin het UWV wel van terugvordering afzag. De rechtbank oordeelde dat appellant geen concrete gronden had aangevoerd tegen de herziening en dat het UWV terecht terugvordering toepaste, mede omdat appellant pas laat ziekmelding deed en hij feitelijk twee uitkeringen ontving.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er was geen sprake van schending van de inlichtingenplicht en de financiële omstandigheden van appellant boden geen aanleiding om van terugvordering af te zien. De terugvordering blijft derhalve in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende reden is aangetoond om hiervan af te zien.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2699 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 december 2024, 23/2107 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de te veel betaalde WW-uitkering van appellant over de periode van 30 augustus 2022 tot en met 30 november 2022 heeft teruggevorderd. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet
.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 november 2025. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft op 11 september 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 30 augustus 2022 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Het Uwv heeft de betaling van de WW-uitkering met ingang van 1 december 2022 stopgezet, omdat appellant niet voldeed aan zijn verplichtingen vanuit de WW.
1.2.
Op 10 januari 2023 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat hij vanaf 28 augustus 2022 ziek is. Appellant heeft na herhaaldelijk verzoek van het Uwv aanvullende informatie verstrekt over zijn ziekmelding. Naar aanleiding van deze informatie heeft het Uwv appellant bij besluit van 9 februari 2023 vanaf 31 augustus 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend en de ZW-uitkering over de al verstreken periode uitbetaald.
1.3.
Bij besluit van 15 maart 2023 heeft het Uwv de WW-uitkering over de periode van 30 augustus 2022 tot en met 30 november 2022 beëindigd (lees: ingetrokken), omdat appellant over deze periode recht had op een ZW-uitkering. Het Uwv heeft over de betreffende periode een bedrag van € 3.412,43 (bruto) aan onverschuldigd betaalde WWuitkering van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 maart 2023 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat aan appellant ten onrechte een WWuitkering is betaald nu hij recht heeft op een ZW-uitkering. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij door de toegekende ZW-uitkering geen recht meer had op een WW-uitkering over dezelfde periode. Volgens het Uwv zijn de financiële omstandigheden van appellant geen aanleiding om in het kader van dringende redenen van de terugvordering af te zien. Bij de invordering wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet en financiële draagkracht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat appellant geen gronden heeft aangevoerd tegen de herziening van de WW-uitkering en dat de herziening daarom niet ter beoordeling voor ligt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen dringende reden is om van de terugvordering van de te veel betaalde WW-uitkering af te zien. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich pas op 10 januari 2023 heeft ziekgemeld bij het Uwv. Het Uvw heeft de betaling van de WW-uitkering van appellant al vanaf 1 december 2022 gestopt. Daarom alleen al kan het Uwv volgens de rechtbank geen trage besluitvorming worden verweten. De omstandigheid dat het Uwv bij de uitbetaling van de ZW-uitkering aan appellant de al betaalde WW-uitkering niet heeft verrekend, kan het Uwv weliswaar worden toegerekend, maar maakt niet dat de terugvordering daardoor onrechtmatig is. Appellant heeft daadwerkelijk twee uitkeringen ontvangen. Hij wist of kon weten dat hij de tweede uitkering ten onrechte ontving. Met betrekking tot de gevolgen van de terugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet heeft onderbouwd welke schulden er nog aanwezig waren ten tijde van de terugvordering van de WW-uitkering. Het betreffen vooral brieven over schulden die niet zijn gedateerd of die dateren van (ruim) voor het besluit over de terugvordering van het Uwv. Appellant heeft ook niet onderbouwd waarom juist deze terugvordering van het Uwv eraan in de weg staat om zijn financiële problemen op te lossen. Bovendien hoeft appellant het teveel betaalde bedrag voorlopig feitelijk niet terug te betalen aan het Uwv, omdat hij geen financiële ruimte daarvoor heeft. Verder heeft appellant zijn stelling dat het Uwv een gelijkluidend bezwaar in een vergelijkbare zaak wel gegrond heeft verklaard niet met stukken onderbouwd. Het door appellant genoemde kenmerk van de zaak bij het Uwv is daarvoor onvoldoende.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft, met een beroep op de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024, [1] opnieuw aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat de gevolgen van de terugvordering ingrijpend zijn vanwege zijn schulden. De terugvordering staat volgens appellant het oplossen van zijn schuldenproblematiek in de weg. Bovendien is geen sprake geweest van schending van de inlichtingenplicht. Verder heeft appellant opnieuw gesteld dat het Uwv een dergelijk bezwaar in een vergelijkbare zaak wel gegrond heeft verklaard.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Er bestaat geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven, zodat wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.

Conclusie en gevolgen

5.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van appellant in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 19 WW Pro
1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
[…]
Artikel 22a WW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe Pro leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 36 WW Pro
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd. Indien de uitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de werkgever wordt teruggevorderd, kan deze het teruggevorderde bedrag niet verhalen op de werknemer.
[…]
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. […]

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.