Uitspraak
SAMENVATTING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 30 augustus 2022, die per 1 december 2022 werd stopgezet omdat hij niet aan zijn WW-verplichtingen voldeed. Op 10 januari 2023 meldde appellant zich met terugwerkende kracht ziek vanaf 28 augustus 2022, waarna het UWV een ZW-uitkering toekende vanaf 31 augustus 2022. Hierdoor werd de WW-uitkering over de periode 30 augustus tot en met 30 november 2022 ingetrokken en teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien vanwege zijn schuldenproblematiek en verwees naar een vergelijkbare zaak waarin het UWV wel van terugvordering afzag. De rechtbank oordeelde dat appellant geen concrete gronden had aangevoerd tegen de herziening en dat het UWV terecht terugvordering toepaste, mede omdat appellant pas laat ziekmelding deed en hij feitelijk twee uitkeringen ontving.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er was geen sprake van schending van de inlichtingenplicht en de financiële omstandigheden van appellant boden geen aanleiding om van terugvordering af te zien. De terugvordering blijft derhalve in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende reden is aangetoond om hiervan af te zien.