ECLI:NL:CRVB:2026:238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging terugvordering WIA-voorschotten wegens dringende reden na fout UWV
Appellant ontving een voorschot op zijn WIA-uitkering terwijl zijn arbeidsongeschiktheid nog werd beoordeeld. Nadat hij was gaan werken en dit aan het UWV had doorgegeven, bleef het voorschot onterecht doorlopen. Het UWV beëindigde de voorschotten later en weigerde de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De ontvangen voorschotten werden deels verrekend met een toegekende WW-uitkering, maar het resterende bedrag werd teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde dat het UWV een fout had gemaakt door de voorschotten niet tijdig te stoppen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar in hoger beroep stelde het UWV voor het terugvorderingsbedrag wegens dringende redenen met 25% te verlagen. De Raad oordeelde dat deze verlaging passend is gezien de fout van het UWV, de korte periode van te veel betaalde voorschotten en de betalingsregeling.
De Raad verwierp het beroep van appellant om geheel van terugvordering af te zien, ook omdat het besluit van de minister van SZW over niet-terugvordering bij dagloonherstel niet op deze situatie van toepassing is. De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde het terugvorderingsbedrag vast op € 2.544,39 bruto. Appellant krijgt het betaalde griffierecht terug.
Uitkomst: De terugvordering van WIA-voorschotten wordt wegens dringende reden met 25% verlaagd tot € 2.544,39 bruto.