ECLI:NL:CRVB:2026:229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband zonder vooringenomenheid UWV
Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 mei 2020, gebaseerd op vermeende dienstverbanden bij meerdere werkgevers. Het UWV stelde na onderzoek vast dat deze dienstverbanden gefingeerd waren en trok de uitkering met terugwerkende kracht in. Appellant voerde bezwaar aan tegen deze intrekking en stelde dat het UWV vooringenomen was en het recht op privéleven had geschonden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV bevoegd was het onderzoek te verrichten, dat er geen sprake was van willekeur of vooringenomenheid, en dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Appellant ging in hoger beroep en herhaalde zijn stellingen, waaronder dat de niet-Nederlandse afkomst van betrokkenen een rol speelde bij het onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt dat het UWV het onderzoek op juiste gronden heeft ingesteld, dat de gebruikte risicokenmerken niet bij de selectie van de melding zijn toegepast, en dat het recht op privéleven niet is geschonden omdat bankafschriften niet zijn gebruikt in de besluitvorming. Appellant heeft geen objectief bewijs geleverd dat er wel een dienstbetrekking was. Ook is geen dringende reden om van intrekking af te zien aangetoond.
De Raad concludeert dat de intrekking van de WW-uitkering terecht is en dat appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 februari 2026.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering wegens gefingeerde dienstverbanden wordt bevestigd zonder vergoeding van proceskosten.