Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 mei 2020 en een ZW-uitkering van 4 mei 2020 tot en met 31 januari 2022. Het UWV stelde na een intern onderzoek vast dat appellant niet als werknemer verzekerd was omdat er sprake was van gefingeerde dienstverbanden bij twee BV's. Het UWV trok de uitkeringen in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en bevestigde de besluiten van het UWV.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek van het UWV was ingegeven door vooringenomenheid en dat zijn privacyrechten waren geschonden. Ook stelde hij dat er wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat er dringende redenen waren om van intrekking en terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat het UWV het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd zonder gebruik van risicokenmerken bij de selectie en dat appellant vrijwillig zijn bankafschriften had verstrekt.
De Raad onderschreef de bevindingen van de rechtbank dat appellant onvoldoende objectief en verifieerbaar tegenbewijs had geleverd. De Raad stelde dat het UWV terecht de uitkeringen had ingetrokken en teruggevorderd en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.