AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning en beoordeling van budgetten en vangnetuitkeringen gemeente Den Haag 2017-2022
Deze uitspraak betreft het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tegen besluiten van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de toekenning van definitieve budgetten en vangnetuitkeringen voor de jaren 2017 tot en met 2022.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat er tekortkomingen waren in de verdeelmodellen voor de jaren 2017-2019, wat leidde tot vernietiging van enkele besluiten. De Raad stelt echter dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verdeelmodellen tekortkomingen bevatten die tot een onevenredige benadeling leiden. Het rapport SEO-Atlas 2022 en aanvullend onderzoek bieden onvoldoende bewijs voor een causale relatie tussen de kenmerken van Den Haag en de tekorten.
Wel oordeelt de Raad dat de toepassing van een absolute normbedrag in de vangnetuitkeringen over 2018 en 2019 leidt tot een onevenredig resultaat voor grote gemeenten zoals Den Haag. De staatssecretaris had daarom de aangepaste norm, die per 1 januari 2021 is ingevoerd, ook voor die jaren moeten toepassen. De Raad stelt de vangnetuitkeringen voor 2018 en 2019 dienovereenkomstig vast en vernietigt de eerdere besluiten over deze uitkeringen.
De overige beroepen van het college worden ongegrond verklaard. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank over het definitieve budget 2022 en wijst het beroep van het college daarop af. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan het college.
Uitkomst: De Raad vernietigt deels de eerdere uitspraak, stelt de vangnetuitkeringen over 2018 en 2019 hoger vast en wijst de overige beroepen af.
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024, 20/7111, 20/7115, 20/7116, 20/7117, 20/7119, 20/7120, 21/6515, 21/6516, 22/3174, 22/3175, 22/3176 en 22/3177 (aangevallen uitspraak 1) en 26 augustus 2025, 23/3402 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 17 februari 2026
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over de budgetten die de staatssecretaris over de jaren 2017 tot en met 2022 heeft toegekend aan het college om onder andere bijstand te verlenen. Daarnaast gaat de uitspraak over de vangnetuitkeringen die over de jaren 2017 tot en met 2020 zijn toegekend of afgewezen. De Raad oordeelt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tekortkomingen zitten in de verdeelmodellen die de staatssecretaris heeft gebruikt om de macrobudgetten over de jaren 2017 tot en met 2022 te verdelen onder de gemeenten. Er is daarom ook geen aanleiding om de verdeelmodellen buiten toepassing te laten. De budgetten over de jaren 2017 tot en met 2022 blijven daarmee in stand. Het college krijgt gelijk wat betreft de vangnetuitkeringen over de jaren 2018 en 2019. De toepassing van een grensnorm leidt over die jaren tot een onevenredig resultaat. De Raad stelt de vangnetuitkering voor die jaren vast.
PROCESVERLOOP
Aangevallen uitspraak 1
Namens het college hebben prof. mr. T. Barkhuysen, mr. M. Claessens en mr. A.M. Zwanenburg, allen advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Mr. I.M. van der Heijden en mr. S.O. Visch, beiden advocaat, hebben zich als gemachtigde gesteld voor de staatssecretaris.
De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Namens het college is een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Aangevallen uitspraak 2
Namens het college heeft prof.mr. Barkhuysen hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.
Op verzoek van beide partijen heeft de Raad het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 voor zover het ziet op het oordeel van de rechtbank over het definitieve budget over het jaar 2022 afgesplitst van de rest van het hoger beroep en deze zaak, met zaaknummer 25/2057 PW, vanwege de samenhang samen behandeld met de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraak 1.
De rest van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2, met zaaknummers 25/2164 PW t/m 25/2170 PW, zal indien nog nodig op een later moment worden behandeld.
Alle zaken
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 14 oktober 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door prof.mr. Barkhuysen, mr. Zwanenburg, mr. J.A. Hofman en mr. H.W. van der Gaag, advocaat, bijgestaan door deskundigen mr.drs.ir. W.P. Verbeek en drs. B. Berkhout. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Heijden en mr. Visch, bijgestaan door deskundigen M.M. Middeldorp MSc en dr. W. Vermeulen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1. Met een besluit van 19 oktober 2016 (besluit 1) heeft de staatssecretaris aan het college een voorlopig budget voor de gebundelde uitkering, het zogenaamde BUIG-budget (voorlopig budget), voor 2017 toegekend. Met een besluit van 10 oktober 2017 (besluit 2) heeft de staatssecretaris aan het college een definitief budget voor 2017 toegekend van € 333.611.238,-. De staatssecretaris heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 1).
1.2. Met een besluit van 18 oktober 2018 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 2), heeft de staatssecretaris aan het college een vangnetuitkering toegekend voor 2017 van € 11.191.940,-.
1.3. Met een besluit van 11 oktober 2017 (besluit 4) heeft de staatssecretaris aan het college een voorlopig budget voor 2018 toegekend. Met een besluit van 1 oktober 2018 (besluit 5) heeft de staatssecretaris aan het college een definitief budget voor 2018 toegekend van € 332.337.813,-. Deze besluiten heeft de staatssecretaris na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 3).
1.4. Met een besluit van 9 oktober 2019 (besluit 6), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 4), heeft de staatssecretaris aan het college een vangnetuitkering toegekend voor 2018 van € 12.791.835,-.
1.5. Met een besluit van 1 oktober 2018 (besluit 7) heeft de staatssecretaris aan het college een voorlopig budget voor 2019 toegekend. Met een besluit van 30 september 2019 (besluit 8) heeft de staatssecretaris aan het college een definitief budget voor 2019 toegekend van € 340.110.746,-. Deze besluiten heeft de staatssecretaris na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 5).
1.6. Met een besluit van 30 september 2019 (besluit 9), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit 6), heeft de staatssecretaris aan het college een voorlopig budget voor 2020 toegekend. Met een besluit van 1 oktober 2020 (besluit 10), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 augustus 2021 (bestreden besluit 7), heeft de staatssecretaris aan het college een definitief budget voor 2020 toegekend van € 366.610.964,-.
1.7. Met een besluit van 1 oktober 2020 (besluit 11), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 augustus 2021 (bestreden besluit 8), heeft de staatssecretaris aan het college een voorlopig budget voor 2021 toegekend. Met een besluit van 1 oktober 2021 (besluit 12), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 april 2022 (bestreden besluit 9), heeft de staatssecretaris aan het college een definitief budget voor 2021 toegekend van € 370.878.990,-.
1.8. Met een besluit van 16 oktober 2020 (besluit 13), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 april 2022 (bestreden besluit 10), heeft de staatssecretaris aan het college een vangnetuitkering toegekend voor 2019 van € 913.601,-.
1.9. Met een besluit van 28 oktober 2021 (besluit 14), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 april 2022 (bestreden besluit 11), heeft de staatssecretaris de aanvraag van het college om een vangnetuitkering voor 2020 afgewezen.
1.10. Met een besluit van 1 oktober 2021 (besluit 15), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 april 2022 (bestreden besluit 12), heeft de staatssecretaris aan het college een voorlopig budget voor 2022 toegekend. Met een besluit van 30 september 2022 (besluit 16), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 3 april 2023 (bestreden besluit 13), heeft de staatssecretaris aan het college een definitief budget voor 2022 toegekend van € 356.726.619,-.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft een deel van de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en een deel ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank kort samengevat het volgende overwogen.
2.1. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 de beroepen over de budgetbesluiten en de besluiten over de vangnetuitkeringen over de jaren 2017 tot en met 2019 gegrond verklaard. Dit betreft de bestreden besluiten 1 tot en met 5 en 10. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot die jaren er een tekortkoming in de verdeelmodellen zit en dat deze tekortkomingen tot een zodanig onevenredig groot tekort op het budget hebben geleid dat artikel 6 vanPro het Besluit Participatiewet (PW) en het verdeelmodel buiten toepassing moeten worden gelaten. Aangezien het budget over die jaren opnieuw moet worden vastgesteld door de staatssecretaris is ook nog niet vast te stellen of het college recht heeft op een vangnetuitkering over die jaren. De rechtbank heeft de beroepen die zien op de bestreden besluiten 6 tot en met 9, de budgetjaren 2020 en 2021, ondanks dat de verdeelmodellen in die jaren ook tekortkomingen bevatten, ongegrond verklaard, omdat de tekorten over die jaren niet onevenredig zijn. Het beroep dat ziet op de vangnetuitkering over 2020, bestreden besluit 11, heeft de rechtbank ongegrond verklaard, omdat het college niet voldoet aan de voorwaarden voor de uitkering. Het beroep dat ziet op het voorlopige budget over 2020, bestreden besluit 12, heeft de rechtbank ongegrond verklaard, omdat het tekort niet hoger is dan de eigenrisicodrempel. Verder heeft de rechtbank de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van proceskosten en griffierecht aan het college.
2.2. In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep over het definitieve budget over 2022, bestreden besluit 13, ondanks dat het verdeelmodel in dat jaar ook tekortkomingen bevat, ongegrond verklaard, omdat het tekort over dat jaar niet onevenredig is.
Het standpunt van het college
3. Het college is het niet geheel met de uitspraken van de rechtbank eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het standpunt van de staatssecretaris
4. De staatssecretaris is het niet geheel eens met aangevallen uitspraak 1. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geoordeeld zoals in 2.1 en 2.2 is weergegeven, aan de hand van wat beide partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt en de hoger beroepen van het college niet. In verband met de devolutieve werking van het hoger beroep, heeft de Raad ook een door de rechtbank niet besproken beroepsgrond beoordeeld. Die beroepsgrond slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. De (wettelijke) regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
5.1. De Raad stelt voorop dat het geschil, namelijk de beoordeling van de rechtmatigheid van alle bestreden besluiten, in volle omvang voorligt. De staatssecretaris is het namelijk niet eens met de aangevallen uitspraken op de onderdelen waarop het college gelijk heeft gekregen. Het college is het niet eens met de onderdelen waarop de rechtbank hem geen gelijk heeft gegeven.
5.2. De Raad heeft zich eerder uitgelaten over de manier waarop de verdeelmodellen werken in de systematiek van de budgetverdeling en over de wijze waarop dergelijke besluiten moeten worden getoetst door de bestuursrechter als deze worden bestreden. [1] In de onderhavige zaken ligt de toepassing van de verdeelmodellen over de jaren 2017 tot en met 2022 voor. Tussen partijen is in geschil of onverkorte toepassing van die verdeelmodellen voor het college tot een onevenredige benadeling leiden.
Bewijslast
5.3. Anders dan het college heeft aangevoerd, ziet de Raad geen reden om de bewijslast anders te verdelen dan in eerdere rechtspraak is gedaan. [2] Daartoe is het volgende van belang.
5.3.1. Dat de budgetbesluiten ambtshalve besluiten zijn die worden genomen in het kader van de budgettering van een taak die in medebewind aan het college is gegeven, maakt omkering van de bewijslast niet aangewezen. De staatssecretaris is bij het nemen van deze besluiten gehouden gebruik te maken van het verdeelmodel met de daarin opgenomen verdeelmaatstaven, zoals neergelegd in de in artikel 6, eerste lid, van het Besluit PW bedoelde, per jaar bij ministeriële regeling vast te stellen bijlagen. In eerdere rechtspraak van de Raad hebben het systeem en de verschillende regelingen van de jaarlijks aangepaste verdeelmodellen als zodanig de exceptieve toetsing doorstaan, zodat geen aanleiding bestaat om aan de algemeen verbindende voorschriften waarin de verdeelmodellen zijn vastgelegd als zodanig verbindende kracht te ontzeggen. In die omstandigheden heeft de staatssecretaris dan in beginsel de grondslag van het gebonden besluit onderbouwd als de besluitvorming in overeenstemming is met het verdeelmodel. De bewijslast dat er omstandigheden zijn die maken dat de staatssecretaris in dit geval was gehouden om het algemeen verbindende voorschrift, waarin het verdeelmodel is neergelegd buiten toepassing te laten, ligt dan bij het college. Dit vloeit voort uit de vaste in noot 2 genoemde rechtspraak.
5.3.2. Anders dan het college stelt, is er geen sprake van zogenaamde ‘black box’besluitvorming die een afwijkende bewijswaardering met zich zou brengen. In de bijlage behorende bij artikel 6 vanPro het Besluit PW wordt de werking van het verdeelmodel van een specifiek jaar toegelicht. Daarnaast zijn in deze bijlage de indicatoren, die van invloed zijn op de verdeling en die zijn opgenomen in het verdeelmodel, te vinden. In de bijlage behorende bij artikel 6 vanPro de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ is verder uiteengezet welk gewicht (jaarlijks) aan deze indicatoren is toegekend. Het gewicht van elk van de indicatoren wordt – kort gezegd – bepaald door een geautomatiseerde statistisch/rekenkundige bewerking, waarbij de kans op recht op bijstand en de omvang daarvan op huishoudniveau bij het voorkomen van die indicator wordt vastgesteld. Een nieuwe indicator kan worden opgenomen in het systeem als (1) uitlegbaar is dat de indicator een relatie heeft met de kans op bijstand; (2) die niet beïnvloedbaar is door gemeentelijke uitvoering of beleid; (3) een aanvulling vormt op het systeem en (4) kwantitatief leidt tot een andere verdeling. De verdeling van het budget over de gemeenten is zo beoogd gebaseerd te zijn op objectieve factoren (kenmerken van huishoudens) en om niet afhankelijk te zijn van gevolgen van uitvoering en beleid van gemeenten. Hoewel door het gebruik van integrale gegevensbestanden van alle huishoudens in Nederland en de daarbij behorende privacy gevoeligheid niet alle stappen in het verdeelmodel even inzichtelijk zijn (te volgen), zijn er voor gemeenten voldoende mogelijkheden om aanknopingspunten voor eventuele tekortkomingen in het verdeelmodel te vinden en zo nodig nader onderzoek in te (doen) stellen. Daaraan draagt ook de door de staatssecretaris beschikbaar gestelde rekentool bij. Deze geeft inzicht in de uitkomsten van de toepassing van het verdeelmodel per indicator als opgenomen in de bijlage behorende bij artikel 6 vanPro de Regeling Participatiewet IOAW en IOAZ. Met deze rekentool zijn gemeenten in staat de uitkomsten van het verdeelmodel per huishoudtype te vergelijken met de werkelijke situatie in de gemeente en daar het beleid op af te stemmen. Van (deels) geautomatiseerde besluitvorming, die niet inzichtelijk en controleerbaar is door een gebrek aan inzicht in de gemaakte keuzes en aannames en gebruikte gegevens als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, is dus geen sprake. De Raad ziet dan ook geen reden om regels vast te stellen waarmee in het algemeen in het kader van bewijswaardering een lagere toetsingsmaatstaf wordt gehanteerd bij de vraag of een gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er tekortkomingen in een verdeelmodel zitten die leiden tot een onevenredige benadeling van die gemeente.
Tekortkoming verdeelmodel
5.4. Anders dan de rechtbank en met de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verdeelmodellen over de jaren 2017 tot en met 2022 tekortkomingen bevatten. Daartoe is het volgende van belang.
5.4.1. Het college heeft in het kader van de op hem rustende bewijslast gesteld dat die tekortkomingen onder meer blijken uit het in opdracht van de staatssecretaris opgestelde rapport van SEO Economisch Onderzoek (SEO) en Atlas Research (Atlas) van begin 2022 met de titel ‘Meerjarige tekorten en overschotten op het bijstandsbudget: een verkenning van objectieve verklaringen’ (hierna: rapport SEO-Atlas 2022). Volgens het college blijkt uit dit rapport dat specifiek de gemeente Den Haag een uitschieter is, dat Den Haag als grote centrumgemeente met stapelingsproblematiek niet goed in het model zit en dat de tekorten in ieder geval samenhangen met de unieke uitbijterkenmerken van Den Haag. Het college wordt hierin niet gevolgd.
5.4.2. Uit het onder 5.4.1 genoemde rapport SEO-Atlas 2022 blijkt dat is onderzocht of er objectieve kenmerken zijn die kunnen verklaren dat sommige gemeenten meerdere jaren achtereen te maken hebben met forse tekorten of overschotten op het bijstandsbudget. Dit onderzoek richtte zich op de groep van gemeenten die volledig door middel van het objectieve verdeelmodel worden gebudgetteerd; kleinere gemeenten worden immers, gelet op artikel 3 vanPro het Besluit PW, niet (volledig) op die manier gebudgetteerd. Uit de bedoelde groep van gemeenten zijn de vijftien gemeenten met de grootste tekorten, de vijftien gemeenten met de grootste overschotten en dertig gemeenten met eenzelfde bevolkingsopbouw en kleine verschillen tussen budget en uitgaven geselecteerd voor onderzoek. Binnen de groep van tekort- en overschotgemeenten zijn acht gemeenten geselecteerd voor verdiepend onderzoek in de vorm van workshops en interviews. Mede op basis daarvan is een longlist van mogelijk te onderzoeken kenmerken opgesteld, die is teruggebracht tot een shortlist. De onderzoekers hebben vervolgens gekeken voor welke kenmerken er sprake is van een systematisch verschil tussen tekort- en overschotgemeenten en de vergelijkingsgroep. Hoewel de focus lag op objectieve kenmerken, is er ook een aantal kenmerken meegenomen die direct of indirect door gemeenten zijn te beïnvloeden. Uit de uiteindelijke selectie van kenmerken die in de systematische analyse zijn onderzocht, is een lijst van twintig kenmerken gedestilleerd waarvoor een of meer van de acht gemeenten een zogenoemde uitbijter is, in die zin dat het verschil met het gemiddelde van de vergelijkingsgroep groter is dan twee standaarddeviaties. De gemeente Den Haag blijkt op negen van die kenmerken een uitbijter te zijn. Bij zes van deze kenmerken bestaat er ook een systematische samenhang binnen de onderzochte gemeenten met het hebben van een tekort of een overschot. Volgens de onderzoekers hebben de gevonden relaties geen causale interpretatie, en is het mogelijk dat de samenhang tussen een kenmerk en tekorten en overschotten veroorzaakt wordt door (niet onderzochte) andere kenmerken die zowel met het betreffende kenmerk als met tekorten en overschotten samenhangen. De onderzoekers concluderen dat in nader onderzoek kan worden bezien wat de specificaties van de onderzochte kenmerken op huishoudniveau zijn alvorens deze te onderwerpen aan het afwegingskader.
5.4.3. De verwijzing naar het rapport SEO-Atlas 2022 is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te maken dat de verdeelmodellen een tekortkoming bevatten. Uit de naam en de inhoud van het rapport blijkt dat het om een verkennend onderzoek gaat. De Raad onderschrijft het standpunt van de staatssecretaris dat de omstandigheid dat de gemeente Den Haag een uitbijter is op verschillende kenmerken die niet in het verdeelmodel zijn opgenomen terwijl er wel een systematisch verband bestaat tussen die kenmerken en meerjarige tekorten, niet zondermeer meebrengt dat die tekorten zijn ontstaan door het ontbreken van die kenmerken in het objectieve verdeelmodel.
5.4.4. Het college heeft verder ook niet onderbouwd dat een dergelijke causale relatie wel bestaat. Met zijn verwijzing naar het rapport van Berenschot van 20 september 2023 met de titel ‘Het effect van objectieve kenmerken op het BUIG-budget van Den Haag’, heeft het college dat niet aannemelijk gemaakt. Door Berenschot is onderzocht hoe het procentuele tekort samenhangt met de in het rapport SEO-Atlas 2022 genoemde kenmerken. Uit het rapport blijkt dat daarbij ervan is uitgegaan dat deze kenmerken ook daadwerkelijk (deels) de tekorten hebben veroorzaakt. De causale relatie is daarin dus voorondersteld.
5.4.5. De staatssecretaris heeft in hoger beroep nog een rapport van SEO van 19 november 2024 met de titel ‘Bijstandsbudget gemeente Den Haag: toets op uitbijterkenmerken’ ingediend. Daarin wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de zes uitbijterkenmerken als bedoeld in 5.4.2. Of kenmerken afdoende in het verdeelmodel zijn verwerkt wordt vastgesteld op basis van een kwalitatieve en een kwantitatieve toets conform het toetsingskader dat samen met gemeenten ontwikkeld is en jaarlijks wordt gebruikt om te bepalen of modelaanpassingen wel of niet worden doorgevoerd. Maar geen van die kenmerken komt door dit toetsingskader heen. Twee van de kenmerken komen niet door de kwalitatieve toets, omdat zij direct afhankelijk zijn van bijstandsgebruik en daarmee beïnvloedbaar door uitvoering en beleid van een gemeente. Twee andere kenmerken komen evenmin door de kwalitatieve toets, het ene niet omdat het kenmerk deels beïnvloedbaar is en het andere niet omdat er geen onderbouwing is gevonden voor de relatie tussen het kenmerk en bijstandsafhankelijkheid. Omdat de uitkomsten voor die laatstgenoemde kenmerken minder hard zijn dan bij de eerste twee hebben de onderzoekers voor de volledigheid nog een kwantitatieve toets uitgevoerd. Zowel deze kenmerken als de overige twee van de zes kenmerken komen niet door de kwantitatieve toets. Dit betekent volgens de onderzoekers dat geen van de zes kenmerken voldoende verklaringskracht kan toevoegen aan het verdeelmodel. De Raad heeft geen reden om aan de juistheid van die conclusies te twijfelen. De Raad voegt hieraan nog toe dat het college ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dusdanig uitzonderlijke specifieke kenmerken in de gemeente Den Haag, die niet te vinden zijn bij andere gemeenten, dat op grond daarvan onvoldoende verklaringskracht bestaat in het model.
5.4.6. Hoewel, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het rapport SEO-Atlas 2022 sterke aanknopingspunten bevatten voor samenhang tussen de beschreven kenmerken en het meerjarige tekort van de gemeente Den Haag, is gelet op het hiervoor overwogene, daarmee op zichzelf niet aannemelijk gemaakt dat de verdeelmodellen door het ontbreken van die kenmerken een tekortkoming bevatten. Daarbij neemt de Raad ook in aanmerking het rapport “Caseverslag Den Haag" van 26 juni 2023 van Andersson Elffers Felix en de Beleidsonderzoekers, waarin is onderzocht welke door een gemeente te beïnvloeden factoren bijdragen aan het optreden van meerjarige tekorten of overschotten. In dit rapport is weergegeven dat het procentuele tekort op het budget van de gemeente Den Haag in de jaren 2015 tot en met 2017 snel is toegenomen tot ongeveer 13 procent, maar nadien tot 2021 weer sterk is afgenomen. Verder blijkt uit dit rapport dat bij de gemeente Den Haag sprake is van veel ‘snijverlies’, omdat de afdelingen los van elkaar werken. Weliswaar heeft in 2020 een reorganisatie plaatsgevonden, maar aan enkele fundamentele condities, zoals beleidsdoelen die in lijn zijn met de prikkel van de gebundelde uitkering en een financiële sturingsstrategie, is ook nadien niet voldaan.
Tussenconclusie
5.5. Gelet op 5.4 t/m 5.4.6 kunnen de aangevallen uitspraken geen stand houden voor zover daarin is geoordeeld dat de verdeelmodellen over de jaren 2017 tot en met 2022 een tekortkoming bevatten. Om die reden kan ook de vernietiging van de bestreden besluiten 1, 3 en 5 over de budgetbesluiten over de jaren 2017 tot en met 2019 geen stand houden. De gronden van beide partijen die zien op de evenredigheid van de benadeling als gevolg van een tekortkoming in het verdeelmodel worden om die reden verder niet besproken. Aangezien de rechtbank de bestreden besluiten 2, 4 en 10 over de vangnetbesluiten over de jaren 2017 tot en met 2019, uitsluitend heeft vernietigd vanwege de vernietiging van de bestreden besluiten 1, 3 en 5 over de budgetbesluiten, kan ook die vernietiging geen stand houden. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat de Raad vervolgens de door het college bij de rechtbank aangevoerde, maar door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgronden tegen bestreden besluit 2, 4 en 10 zal beoordelen.
Vangnetuitkeringen 2017 tot en met 2019
5.6. Het college heeft in beroep aangevoerd dat de vangnetbesluiten over de jaren 2017 tot en met 2019 onjuist zijn, omdat de koppeling met de rapportagenormen uit het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (Bado) ongelijk en onevenredig uitwerkt. Deze grond slaagt. Hiertoe is het volgende van belang.
5.6.1. Uit artikel 1, aanhef en onder l, van het voor 2017 geldende Besluit PW volgt dat voor 2017 de in aanmerking komende netto lasten bestaan uit de netto lasten verminderd met de bedragen die blijkens het verslag van bevindingen als fout of onzeker zijn aangemerkt. Uit artikel 5 vanPro het Bado volgt verder dat er voor dit verslag van bevindingen een ondergrens van te melden bevindingen geldt. Voor lasten kleiner dan of gelijk aan € 125.000,- is die ondergrens € 12.500,-, voor lasten groter dan € 125.000,- en kleiner dan of gelijk aan € 1.000.000,- is die ondergrens 10% van de lasten en voor lasten groter dan € 1.000.000,- is de ondergrens € 125.000,-. De in aanmerking komende lasten vormen verder op grond van artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder b, in combinatie met artikel 10, eerste lid, van het toen luidende Besluit PW de grondslag om te bepalen of er een recht op een vangnetuitkering bestaat en hoe hoog het bedrag is waar recht op bestaat. Voor de jaren 2018 en 2019 is de systematiek op voorgaande genoemde punten inhoudelijk niet gewijzigd.
5.6.2. Naar aanleiding van wat het college in de bezwaarprocedures heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris in de bestreden besluiten 2, 4 en 10 over de vangnetuitkeringen van 2017 tot en met 2019 erkend dat het hanteren van de in artikel 5 vanPro het Bado genoemde ondergrens grotere gemeenten in theorie benadeelt. Omdat de ondergrens bij lasten groter dan € 1.000.000,- een absoluut bedrag van € 125.000,- is, werkt dit naar verhouding nadeliger uit voor grotere gemeenten. De staatssecretaris heeft vermeld om die reden het Besluit PW aan te gaan passen om gemeenten op een meer evenredige manier af te rekenen op onrechtmatige bedragen. De voorgestelde aanpassing houdt voor gemeenten met lasten van meer dan € 1.000.000,- in dat alleen als het onrechtmatige bedrag hoger is dan € 125.000,- en tevens hoger dan 1% van de lasten dit bedrag wordt afgetrokken van de netto lasten van een gemeente. Aangezien deze nieuwe norm niet tot een ander resultaat zou leiden voor de gemeente Den Haag over de jaren 2017 tot en met 2019 heeft de staatssecretaris geen reden gezien om de toekenning van de vangnetuitkeringen over die jaren te wijzigen. Het Besluit PW is per 1 januari 2021 aangepast op de door de staatssecretaris beschreven wijze door invoering van artikel 9a van het Besluit PW. [3] Daarin is bepaald dat de ondergrens ofwel € 125.000,- is, ofwel 1% van de lasten als dat bedrag hoger is. Aangezien aan deze aanpassing geen terugwerkende kracht is toegekend, heeft de staatssecretaris geen reden gezien om de gewijzigde norm alsnog op de vangnetuitkering over het jaar 2019 of de jaren daarvoor toe te passen.
5.6.3. Ter zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris erkend dat toepassing van de nieuwe norm over de jaren 2018 en 2019 tot een hogere vangnetuitkering zou leiden, maar dat er voor is gekozen om de gewijzigde regeling niet met terugwerkende kracht toe te passen. Ter zitting bij de Raad heeft de staatssecretaris zich op dat punt gerefereerd aan het oordeel van de Raad. Volgens de staatssecretaris leidt dit, mocht de gewijzigde regeling toch met terugwerkende kracht worden toegepast, voor het jaar 2017 tot een ander bedrag dan het college stelt. De staatssecretaris heeft daarom verzocht om als het daarop aankomt voor het jaar 2017 aan hem de opdracht te geven om opnieuw te beslissen. Gelet op de lange duur van de procedure en de opdracht aan de bestuursrechter om zoveel mogelijk definitief geschillen te beslechten, zoals neergelegd in artikel 8:41a, in combinatie met artikel 8:108, van de Algemene wet bestuursrecht, en omdat de Raad zich gelet op de stukken daartoe voldoende voorgelicht acht, ziet de Raad echter daartoe geen aanleiding en zal zelf worden voorzien op dit punt als volgt.
5.6.4. Uit de vangnetbesluiten blijkt dat voor de gemeente Den Haag voor 2017 de relevante nettolasten en de bedragen die als fout of onzeker zijn aangemerkt respectievelijk € 379.584.679,- en € 6.909.000,- waren. Voor 2018 gaat het om bedragen van € 376.967.041,- en € 2.757.834,-. Voor 2019 gaat het om bedragen van € 368.766.391,- en € 1.320.137,-. In alle jaren is er dus een overschrijding van het grensbedrag van € 125.000,- aan bedragen die als fout of onzeker zijn aangemerkt. Bij de berekening van de hoogte van de vangnetuitkeringen over de jaren 2017 tot en met 2019 heeft de staatsecretaris per jaar dat bedrag in mindering gebracht op lasten die de basis vormen voor het berekenen van de hoogte van de vangnetuitkering.
5.6.5. De Raad volgt het college niet in het standpunt dat ook het toepassen van de nieuwe norm over deze jaren op zichzelf tot een onevenredige benadeling leidt voor grote gemeenten. De kern van de regelgeving over de vangnetuitkering op dit punt is dat alleen rechtmatige bedragen in aanmerking worden genomen in het kader van het vangnet. Daarom is aangesloten bij het verslag van bevindingen van de accountant en de daarin opgenomen bedragen die als fout of onzeker zijn aangemerkt. De regels die zien op dat verslag, zoals neergelegd in het Bado, maken wat betreft de werkwijze onderscheid naar aanleiding van de grootte van de lasten. Dat grotere gemeenten daardoor relatief gezien eerder op een bedrag komen dat in het verslag wordt opgenomen, betekent op zichzelf niet dat sprake is van onevenredige benadeling in het kader van de vangnetuitkering. Dit neemt niet weg dat in een specifiek geval de uitkomst onevenredig kan zijn, wat ook door de staatssecretaris in de bestreden besluiten 2, 4 en 10 is erkend. Daarvan is hier echter geen sprake.
5.6.6. Verder heeft het college betoogd dat als er moet worden gekozen voor een percentage dat tot een evenredig resultaat leidt, aangesloten moet worden bij de grens van 3% die wordt gehanteerd voor onzekerheden, zoals destijds genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bado. De Raad volgt het college ook niet in dit standpunt. Het aangehaalde percentage ziet op de goedkeuringstoleranties, in die zin dat dit percentage bepalend is voor de strekking van de controleverklaring van de accountant. Dit percentage zegt dus niets over de aard van de aangetroffen fouten en onzekerheden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat bij het toetsen van de evenredigheid van het besluit moet worden aangesloten bij dit percentage.
5.6.7. De Raad ziet ook verder geen reden om aan te nemen dat de nieuwe norm niet als uitgangspunt kan dienen om te beoordelen of de vangnetbesluiten onevenredig uitpakken voor het college. Door een percentage te hanteren, wordt voorkomen dat in de categorie van grotere gemeenten er relatief grote verschillen ontstaan.
5.6.8. Tussen partijen is niet in geschil dat de voor 2017 relevante bedragen die als fout of onzeker zijn aangemerkt, hoger zijn dan 1% van de totale lasten. Het college heeft aangevoerd dat alleen het deel van het bedrag dat uitgaat boven die 1% in mindering gebracht mag worden op de netto lasten. Deze grond slaagt niet. Uit artikel 1, aanhef en onder l, van het Besluit PW zoals dat gold voor de vangnetuitkering 2017, volgt dat bedragen die als fout of onzeker zijn aangemerkt in mindering moeten worden gebracht op de netto lasten. Dat bedragen beneden een bepaald normbedrag niet hoeven te worden opgenomen in het verslag van bevindingen van de accountant, betekent niet dat die bedragen voor de berekening van de vangnetuitkering niet relevant zijn. Dat voor de berekening van de vangnetuitkering van 2017 een bedrag van € 6.909.000,- in mindering is gebracht op de netto lasten, maakt de uitkomst niet onevenredig, nu niet in geschil is dat het om bedragen gaat die als fout of onzeker moeten worden aangemerkt. Dit betekent dat de staatssecretaris de vangnetuitkering over 2017 juist heeft vastgesteld.
5.6.9. Wat betreft de vangnetuitkeringen van 2018 en 2019 is tussen partijen niet in geschil dat toepassing van de gewijzigde norm ertoe zou leiden dat de gemeente Den Haag in die jaren niet het grensbedrag haalt, zodat bedragen die als fout of onzeker zijn aangemerkt niet in mindering zouden worden gebracht op de in aanmerking komende lasten. Dit zou voor 2018 tot een vangnetuitkering leiden die € 2.757.834,- hoger is en voor 2019 gelet op het getrapte eigen risico tot een verhoging van de vangnetuitkering met € 660.069,-. Aangezien de staatssecretaris heeft erkend dat door het gebruik van een absoluut normbedrag grotere gemeenten harder worden geraakt en hij daarin aanleiding heeft gezien om die norm met ingang van 1 januari 2021 aan te passen, is de Raad van oordeel dat het vasthouden aan die absolute norm in dit geval tot een onevenredig resultaat leidt. De staatssecretaris had om die reden artikel 1, onder l, van het Besluit PW buiten toepassing moeten laten over die jaren en uit moeten gaan van de inmiddels aangepaste norm.
5.6.10. De Raad zal daarom zelf in de zaken voorzien op de onder de conclusie weergegeven wijze.
Vangnetuitkering 2020
5.7. De Raad volgt het college niet in het standpunt dat hij recht heeft op een vangnetuitkering voor 2020. Aangezien de Raad van oordeel is dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een tekortkoming zit in het verdeelmodel voor het jaar 2020, kan de grond dat een dergelijke tekortkoming tot een vangnetuitkering zou moeten leiden niet slagen. De Raad ziet verder geen aanleiding om af te wijken van zijn eerdere rechtspraak dat een beperkt eigen risico in het kader van de vangnetregeling niet afdoet aan het uitgangspunt dat de uitkering van het Rijk aan gemeenten voor uitvoering van de bijstandstaak die kosten dekt die niet door beleid en uitvoering te vermijden zijn. [4] Dat de eigenrisicodrempel 2,5% hoger is dan in voorgaande jaren, maakt niet dat dit uitgangspunt niet langer geldt.
Conclusie en gevolgen
5.8. Aangevallen uitspraak 1 wordt vernietigd. De beroepen van het college worden ongegrond verklaard met uitzondering van die tegen bestreden besluiten 4 en 10, die zien op de vangnetuitkering over 2018 en 2019. De daartegen gerichte beroepen worden gegrond verklaard en die besluiten worden vernietigd. De besluiten van 9 oktober 2019 en 16 oktober 2020 worden herroepen voor zover het de hoogte van de vangnetuitkeringen betreft. De vangnetuitkering voor 2018 wordt vastgesteld op € 15.549.669,- en die voor 2019 op € 1.573.670,- Dit betekent dat de staatssecretaris over 2018 een bedrag van € 2.757.834,- en voor 2019 een bedrag van € 660.069,- zal moeten nabetalen. De staatssecretaris heeft in dit verband ter afwering van deze betalingsverplichting wederom aangevoerd dat het macrobudget al “op” is, het begrotingsjaar voorbij is en het geld voor de gemeente Den Haag bij andere gemeenten zouden moeten worden teruggehaald. Dit boekhoudkundig probleem kan aan juiste toepassing van de PW niet in de weg staan. Dit volgt uit eerdere rechtspraak, waarbij de besluitvorming van de staatssecretaris niet in stand bleef. [5] Verder wordt aangevallen uitspraak 2, voor zover die ziet op bestreden besluit 13, het definitieve budget over 2022, bevestigd met verbetering van gronden. Het overige deel van aangevallen uitspraak 2 zal zo nodig op een later moment worden beoordeeld in het kader van zaaknummers 25/2164 PW t/m 25/2170 PW.
6. Omdat het beroep van het college gedeeltelijk slaagt, krijgt het college een vergoeding voor zijn proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en het betaalde griffierecht in beroep. De proceskosten voor rechtsbijstand worden begroot op € 2.664,- in bezwaar (4 punten, wegingsfactor gemiddeld), € 1.868,- in beroep (2 punten, samenhangende zaken, wegingsfactor gemiddeld) en € 1.868,- in hoger beroep (2 punten, samenhangende zaken, wegingsfactor gemiddeld), in totaal € 6.400. Anders dan de rechtbank gaat de Raad daarbij uit van een gemiddelde wegingsfactor, nu de geslaagde beroepen alleen zien op de vangnetuitkeringen en niet op de toekenning van de voorlopige en definitieve budgetten. Aangezien de gedeclareerde kosten voor de door het college geraadpleegde deskundigen niet zien op rapporten die hebben bijgedragen aan het geslaagde beroep, zijn deze kosten naar het oordeel van de Raad niet aan te merken als redelijkerwijs gemaakt, en komen zij daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De staatssecretaris dient ook het in beroep tegen beide vangnetbesluiten door het college betaalde griffierecht van € 354,- in 2020 en € 365,- in 2022 te vergoeden.
6.1. Omdat het hoger beroep van de staatssecretaris slaagt, wordt van hem geen griffierecht in hoger beroep geheven. De staatssecretaris heeft niet verzocht het college te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt aangevallen uitspraak 1;
verklaart de beroepen tegen het besluit van 28 september 2020 over de vangnetuitkering over 2018 en het besluit van 7 april 2022 over de vangnetuitkering over 2019 gegrond en vernietigt deze besluiten voor zover het de hoogte van de toegekende vangnetuitkeringen betreft;
herroept de besluiten van 9 oktober 2019 en 16 oktober 2020 in zoverre, stelt de hoogte van de vangnetuitkering over 2018 vast op € 15.549.669,- en over 2019 op € 1.573.670,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde delen van de besluiten van 28 september 2020 en 7 april 2022;
verklaart de overige beroepen ongegrond;
bevestigt aangevallen uitspraak 2, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 3 april 2023 ongegrond is verklaard;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 6.400,-;
bepaalt dat de staatssecretaris aan het college het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 719,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) B.F.C. Wiedenhof
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels
Wetgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:41a
De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.
Artikel 8:108, eerste lid
Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.
ParticipatiewetArtikel 69
1. Onze Staatssecretaris verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op:
a. het toekennen van algemene bijstand en van uitkeringen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 vanPro de Zorgverzekeringswet;
b. de kosten van de loonkostensubsidies, die op grond van artikel 10d, worden verstrekt.
2. Bij wet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat dit bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten in verband met uitgaven als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling.
4. De uitkering aan het college wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Staatssecretaris bekend gemaakt.
Artikel 71
Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens.
Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt aangepast binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Staatssecretaris vastgesteld.
Artikel 74, eerste lid
Indien de verstrekte uitkering op grond van artikel 69 onvoldoendePro dekking biedt voor de netto lasten van het toekennen van algemene bijstand, loonkostensubsidies of uitkeringen als bedoeld in artikel 69, eerste lid, kan door Onze Staatssecretaris op verzoek van het college een vangnetuitkering worden verleend.
Regelgeving
Besluit Participatiewet
Artikel 1, aanhef en onder l
In dit besluit wordt verstaan onder:
[…]
in aanmerking komende netto lasten: de netto lasten op grond van de PW, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004, verminderd met de bedragen die blijkens het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213, vierde lid, van de Gemeentewet, dat deel uit maakt van de informatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, als fout of onzeker worden aangemerkt;
Artikel 6, eerste lid (luidend van 1 januari 2017 tot 1 januari 2022)
Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, […].
Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c (luidend van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021)
De vangnetuitkering, bedoeld in artikel 74 vanPro de wet, wordt slechts toegekend voor zover:
[…]
de in aanmerking komende netto lasten de verstrekte uitkering met meer dan zeven-en-een-half procent overstijgen en de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en de twee daaraan voorafgaande jaren de over die periode verstrekte uitkeringen met meer dan zeven-en-een-half procent van de over het uitkeringsjaar verstrekte uitkering overstijgen;
Artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder b (luidend van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019)
De vangnetuitkering, bedoeld in artikel 74 vanPro de wet, wordt, slechts toegekend:
[…]
over het uitkeringsjaar 2017 indien in afwijking van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, de in aanmerking komende netto lasten de verstrekte uitkering in 2017 met meer dan vijf procent overstijgen en de in aanmerking komende netto lasten over 2017 en 2016 de over die periode verstrekte uitkeringen met meer dan vijf procent van de over 2017 verstrekte uitkering overstijgen.
Besluit accountantscontrole decentrale overheden
Artikel 2, eerste lid
De accountant gebruikt ten behoeve van de oordeelsvorming over de jaarrekening van de provincie, bedoeld in artikel 217, derde lid, van de Provinciewet, de jaarrekening van de gemeente, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet, onderscheidenlijk artikel 38, vierde lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de volgende goedkeuringstoleranties:
ten aanzien van fouten in de jaarrekening 1% van de omvangsbasis en
ten aanzien van onzekerheden in de controle 3% van de omvangsbasis.
Artikel 5, vierde lid
In het verslag van bevindingen van de accountant wordt per specifieke uitkering gerapporteerd met een rapporteringstolerantie gebaseerd op de lasten van de specifieke uitkering in het verantwoordingsjaar of, bij meerjarige financiële afrekening op basis van prestatieafspraken, gebaseerd op het totale voorschot per specifieke uitkering, in alle gevallen met een ondergrens van te melden bevindingen van:
€ 12.500 indien de lasten kleiner dan of gelijk aan € 125.000 zijn;
10% indien de lasten groter dan € 125.000 en kleiner dan of gelijk aan € 1.000.000 zijn;
€ 125.000 indien de lasten groter dan € 1.000.000 zijn.
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ
Artikel 6 (luidend van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018) In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.
Artikel 6 (luidend van 1 januari 2018 tot 1 januari 2019)
In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet alsmede de normbedragen, bedoeld in tabel 2 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.
Artikel 6 (luidend van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021)
In de bijlage bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 en tabel 3 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet alsmede de normbedragen, bedoeld in tabel 2 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.
Artikel 6 (luidend vanaf 1 januari 2021)
In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 en tabel 3 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet alsmede de normbedragen, bedoeld in tabel 2 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.