ECLI:NL:CRVB:2026:182

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/147 WSFBSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2 Wsf 2000Art. 2.2 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000Art. 45 VWEUArt. 56 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing studiefinanciering wegens niet voldoen peildatum migrerend werknemerschap

Appellant, een niet-Nederlandse Unieburger, vroeg studiefinanciering aan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), met ingang van mei 2022. De minister kende een aanvullende beurs toe vanaf juni 2022, maar wees de aanvraag voor mei af omdat appellant op de peildatum 1 mei 2022 nog geen migrerend werknemer was. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze afwijzing.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de peildatum geen indirecte discriminatie oplevert en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. Appellant voerde hoger beroep aan met het argument dat de peildatum indirecte discriminatie inhoudt, in strijd is met het belemmeringenverbod van artikel 56 VWEU Pro, en dat de hardheidsclausule toegepast moet worden.

De Raad verwierp deze gronden. Er is geen sprake van indirecte discriminatie of belemmering van het vrij verkeer van diensten. De peildatum is een bewuste keuze van de wetgever en leidt niet tot een onbedoeld resultaat. De hardheidsclausule is niet van toepassing omdat de wetgever expliciet de peildatum als voorwaarde heeft gesteld.

Het hoger beroep wordt afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. Hierdoor heeft appellant geen recht op studiefinanciering voor mei 2022.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op studiefinanciering voor mei 2022 omdat hij op de peildatum geen migrerend werknemer was.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/147 WSFBSF
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2023, 23/191 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 19 februari 2026

SAMENVATTING

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de minister aan appellant geen studiefinanciering hoefde toe te kennen over de maand mei 2022, omdat hij op de eerste dag van die maand nog geen migrerend werknemer was. Van indirecte discriminatie naar nationaliteit is geen sprake. De peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 levert voorts geen belemmering op om toe te treden tot de arbeidsmarkt in Nederland. Ten slotte bestaat er geen aanleiding om onder toepassing van de hardheidsclausule de peildatum buiten toepassing te laten.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is niet-Nederlands Unieburger. Hij heeft op 13 mei 2022 studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 [1] aangevraagd, in de vorm van een aanvullende beurs (met ingang van 1 september 2021) en een reisvoorziening (met ingang van 1 juni 2022). Ter onderbouwing van de aanvraag heeft appellant een arbeidsovereenkomst overgelegd met een ingangsdatum van 6 mei 2022.
1.2.
Met besluiten van 5 augustus 2022 heeft de minister aan appellant een aanvullende beurs toegekend voor de periode juni 2022 tot en met december 2022 en een reisvoorziening voor de periode augustus 2022 tot en met december 2022. Voor het overige is de aanvraag afgewezen.
1.3.
Appellant heeft op 14 september 2022 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 5 augustus 2022, voor zover daarbij zijn aanvraag is afgewezen.
1.4.
Appellant heeft op 9 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
1.5.
Met een besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
1.6.
Appellant heeft zijn beroep na het nemen van het bestreden besluit gehandhaafd. Het beroep is gericht tegen de gehandhaafde afwijzing van de aanvraag voor de maanden mei (aanvullende beurs), juni en juli (reisvoorziening) 2022.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Omdat appellant op de peildatum 1 mei 2022 nog geen (migrerend) werknemer was heeft hij over die maand geen recht op een aanvullende beurs. De toepassing van de peildatum levert geen indirecte discriminatie naar nationaliteit op. Het gegeven dat appellant in de loop van de maand mei 2022 begonnen is met reële en daadwerkelijke werkzaamheden vormt geen omstandigheid waarin aanleiding moet worden gezien om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 1.2 van de Wsf 2000. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister aan appellant terecht over de maanden juni en juli 2022 geen reisvoorziening heeft toegekend. De toekenning van een reisvoorziening als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van de Wsf 2000 met terugwerkende kracht is niet mogelijk.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat hij vanwege de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 in de maand mei 2022 geen recht heeft op een aanvullende beurs. Volgens appellant leidt de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 tot een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht. Verder wordt aangevoerd dat de peildatum in strijd is met het belemmeringenverbod – naar de Raad begrijpt uit de genoemde rechtspraak – van artikel 56 van Pro het VWEU. [2] De peildatum maakt het voor EUstudenten namelijk minder aantrekkelijk om arbeidsovereenkomsten aan te gaan met een ingangsdatum kort na de eerste van de maand, omdat zij dan niet meteen de vruchten van het migrerend werknemerschap kunnen plukken. Ten slotte wordt herhaald dat de peildatum onder toepassing van de hardheidsclausule buiten toepassing moet worden gelaten.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Een EU-student die op de peildatum kan worden aangemerkt als migrerend werknemer als bedoeld in artikel 45 van Pro het VWEU, kan in aanmerking komen voor (volledige) studiefinanciering. Dit is geregeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in samenhang met artikel 1.2 van de Wsf 2000. Deze en de andere voor deze procedure van belang zijnde wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
In geschil is of de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat appellant in verband met de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 geen recht heeft op studiefinanciering voor de maand mei 2022. Appellant heeft drie gronden aangevoerd op grond waarvan voorbij zou moeten worden gegaan aan de peildatum. Deze gronden worden hierna besproken.
4.3.
De grond dat het hanteren van de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht oplevert, wordt verworpen onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad hierover. [3] De grond dat de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 in strijd is met het belemmeringenverbod van artikel 56 van Pro het VWEU slaagt evenmin. Appellant is op 6 mei 2022 als werknemer toegetreden tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Hij heeft op geen enkele wijze onderbouwd hoe hij (feitelijk) in zijn recht op het vrij verkeer van diensten is belemmerd door het hanteren van deze peildatum.
4.4.
De grond dat de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 buiten toepassing moet worden gelaten, wordt ook verworpen. De toepassing van de peildatum leidt niet tot een resultaat dat de wetgever niet heeft beoogd. De wetgever heeft er expliciet en bewust voor gekozen dat een student alleen recht heeft op studiefinanciering indien hij op de peildatum voldoet aan de materiële toekenningsvoorwaarden van de Wsf 2000, waaronder ook de nationaliteitseis valt. [4]

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dat betekent dat appellant voor de maand mei 2022 geen recht heeft op een aanvullende beurs.
5.2.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) S. Ploum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 45 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
Artikel 56 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
(...)”.
Artikel 24 van Pro de Richtlijn 2004/38/EG
1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.
2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.
Artikel 1.2 van de Wet studiefinanciering 2000
Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet is bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.
Artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000
1. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die:
a. (…)
b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of
c. (…)
2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel b, kunnen bij algemene maatregel van bestuur groepen van personen worden aangewezen voor wie de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs betreft. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de vorm van deze tegemoetkoming.

Artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000

1. Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2. (…).

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000.
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Verwezen is in dit verband naar de arresten HvJ 25 juli 1991,C-76/90, ECLI:EU:C:1991:331 (Säger) en 30 november 1995, C-55/94, ECLI:EU:C:1995:411 (Gebhard).
3.Zie de uitspraken van 7 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1592; van 12 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:724 en ECLI:NL:CRVB:2024:725 en van 23 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1038.
4.Zie ook de uitspraak van 23 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1038, r.o. 4.7.