Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:168

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
23/2872 WAD
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 IbbadArt. 121 BardWet WIAWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenInkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting bezoldiging en ontslag wegens arbeidsongeschiktheid na ziektejaar

Appellant, werkzaam bij het burgerpersoneel van Defensie, werd na meer dan een jaar ziekte geconfronteerd met een korting van 30% op zijn bezoldiging en later met ontslag wegens arbeidsongeschiktheid. Hij voerde aan dat de werkomstandigheden buitensporig waren en dat het herplaatsingsonderzoek onvoldoende zorgvuldig was.

De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden. Hoewel er sprake was van hoge werkdruk en fouten in de planning, waren deze omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg om de korting onterecht te achten. De aangevoerde stukken zoals agenda, WhatsApp-berichten en mails werden niet doorslaggevend geacht.

Ten aanzien van het ontslag stelde de Raad vast dat de staatssecretaris een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft verricht. Diverse re-integratie-inspanningen, deskundigenadviezen en pogingen tot plaatsing binnen en buiten Defensie werden onderbouwd. De beperkingen van appellant waren duurzaam en de kans op passende arbeid binnen Defensie zeer klein.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees de hoger beroepen af. De bestreden besluiten blijven in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De korting op de bezoldiging en het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid worden bevestigd als rechtmatig.

Uitspraak

23/2872 WAD, 23/2873 WAD
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 25 augustus 2023, 23/1385 en 23/1126 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Commandant Defensie Ondersteuningscommando (commandant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
SAMENVATTING
Deze zaken gaan om de vraag of de commandant na afloop van het eerste ziektejaar terecht een korting van 30% heeft toegepast op de bezoldiging van appellant en of de staatssecretaris appellant terecht heeft ontslagen omdat er geen herplaatsingsmogelijkheden waren. De Raad oordeelt dat de korting op de bezoldiging in stand blijft, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van buitensporige werkomstandigheden. Verder oordeelt de Raad dat de staatssecretaris een voldoende zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft verricht en ontslag mocht verlenen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.M. Soentjens hoger beroep ingesteld. De commandant en de staatssecretaris hebben een verweerschrift ingediend.
Appellant en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 11 december 2025. Namens appellant is mr. Soentjens verschenen. De commandant en de staatssecretaris hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Lamberti, mr. A.C. Beck, E.J.P. de Wolf en M. KopWijering.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was aangesteld bij het burgerpersoneel van defensie en werkzaam bij het Militair Revalidatiecentrum in de functie van [naam functie]. Op 8 november 2019 heeft hij zich ziekgemeld als gevolg van medische klachten.
1.2.
Met een besluit van 20 oktober 2020 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2023 (bestreden besluit 1), heeft de commandant met ingang van 8 november 2020 de aanspraak van appellant op bezoldiging met toepassing van artikel 26, eerste lid, van het Ibbad [1] verlaagd met 30% omdat zijn ziekteverzuim langer duurt dan twaalf maanden. Volgens de commandant is geen sprake van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 26, vierde lid, van het Ibbad
.
1.3.
Met een besluit van 25 april 2022 heeft het Uwv [2] aan appellant vanaf 5 november 2021 een loongerelateerde WGA [3] -uitkering op grond van de Wet WIA [4] toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.4.
Met een besluit van 31 mei 2022 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 december 2022 (bestreden besluit 2), heeft de staatssecretaris aan appellant op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bard [5] met ingang van 1 september 2022 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
1.5.
Het Uwv heeft appellant met ingang van 27 juli 2023 een IVA [6] -uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.6.
Op 25 augustus 2023 heeft de Raad uitspraak gedaan in een geschil tussen appellant en de staatssecretaris over de weigering appellant te laten re-integreren in zijn eigen functie van [naam functie]. [7] De Raad heeft geoordeeld dat de commandant zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant medisch gezien niet in staat kon worden geacht te re-integreren in zijn eigen, al dan niet aangepaste, functie.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4
.De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht bestreden besluiten 1 en 2 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Korting op de bezoldiging
4.1.
In artikel 26, vierde lid, van het Ibbad is bepaald dat de ambtenaar ook na afloop van het eerste ziektejaar aanspraak heeft op zijn volledige bezoldiging indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.
4.2.
Het is vaste rechtspraak [8] dat bij een regeling als hier aan de orde eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden – objectief gezien – een buitensporig karakter dragen. De beoordeling daarvan vergt een juridische kwalificatie van de feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat dergelijke buitensporige omstandigheden in het werk of de werkomstandigheden zijn gelegen.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hij te maken had met werkomstandigheden met een buitensporig karakter omdat sprake was van structurele overbelasting voorafgaand aan zijn uitval. Volgens appellant moesten regelmatig pauzes, vakanties en verlofdagen wijken voor werkzaamheden omdat de planning slecht was
.Er kwam steeds meer werk bij en hij moest ook werkzaamheden op andere locaties verrichten. Ook werden stelselmatig medische klachten en ziekmeldingen genegeerd. Hij heeft deze problemen vele malen aangekaart bij zijn leidinggevende, maar er werd niets mee gedaan
.
4.4.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te maken had met buitensporige werkomstandigheden. Aan de door appellant overgelegde stukken, waaronder zijn agenda, WhatsApp berichten en mails, kan niet de waarde worden toegekend die appellant daar aan gehecht wenst te zien. Door de leidinggevende van appellant is erkend dat er wel eens fouten werden gemaakt met de planning. Ook is niet ontkend dat er sprake was van een hoge werkdruk en dat appellant op verschillende werklocaties zijn werkzaamheden moest verrichten. Dat neemt echter niet weg dat door de commandant onweersproken is gesteld dat de planning van de werkzaamheden veelal met appellant werd afgestemd, dat werkzaamheden bij hem werden weggehaald als dat nodig was en dat hij bij werkzaamheden op een andere locatie in veel gevallen de avond tevoren naar die locatie kon reizen, zodat hij voldoende nachtrust kon hebben. Verder is niet uit de stukken gebleken dat ziekmeldingen stelselmatig werden genegeerd. Er zijn ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de leidinggevende appellant niet serieus heeft genomen. De Raad acht het voorstelbaar dat appellant in bepaalde perioden – mede door minder goed functionerende collega’s
spanningen heeft ervaren, maar dat alleen levert nog geen reden op om de werkomstandigheden als buitensporig aan te merken. Zoals de Raad eerder heeft overwogen [9] kunnen zich in elke werkomgeving frustrerende en minder prettige situaties voordoen, maar kan dit, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, niet als een buitensporige werkomstandigheid worden aangemerkt. Dat sprake was van zulke uitzonderlijke omstandigheden heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.
Ontslag
5. In artikel 121, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bard is – voor zover hier van belang – bepaald dat de ambtenaar, anders dan op eigen aanvraag, kan worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Op grond van het derde lid van dit artikel kan een dergelijk ontslag slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van de Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.
5.1.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 121, derde lid, aanhef en onder c, van het Bard.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak [10] moeten voorschriften over het herplaatsingsonderzoek nauwgezet worden nageleefd. Het onderzoek moet zorgvuldig worden uitgevoerd, waarbij elke reële mogelijkheid tot herplaatsing moet worden aangegrepen.
5.3.
Daarbij geldt, anders dan de staatssecretaris meent, dat toekenning van een uitkering op grond van de Wet WIA, ook al is die berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, niet hoeft te betekenen dat de ambtenaar tot geen enkele arbeid meer in staat is; dit gegeven alleen is dus niet voldoende om aan te nemen dat van het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek kan worden afgezien. [11]
5.4.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht om appellant te herplaatsen. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
5.5.1.
De staatssecretaris heeft diverse mogelijkheden verkend om betrokkene te laten reintegreren of andere arbeid aan te bieden, maar dit werd beperkt door de zeer geringe belastbaarheid van appellant. Aanvankelijk is onderzocht of appellant in zijn eigen functie kon re-integreren via aangepast eigen werk. Appellant heeft in februari 2020 heel kort meegedraaid op zijn eigen afdeling, maar dit was niet succesvol. Door zijn beperkingen was hij alleen rechtszijdig belastbaar voor lichte werkzaamheden en voor een beperkt aantal uren. Vervolgens heeft de re-integratie een tijd stil gelegen vanwege de coronacrisis en langdurige covid-19 symptomen aan de zijde van appellant. Door een operatie in september 2020 kreeg appellant daarnaast klachten die verband hielden met de narcose. Daardoor had hij tot maart 2021 geen benutbare mogelijkheden.
5.5.2.
Inmiddels was appellant in november 2020 overgedragen naar [naam onderdeel] ([naam onderdeel]) om een spoor 2 traject te starten. In januari 2021 kreeg appellant een coach van FourstaR toegewezen. Vanwege de marginale belastbaarheid van appellant was dit traject in eerste instantie vooral gericht op het inventariseren van zijn kennis, vaardigheden en competenties. Op 24 februari 2021 werd in het door appellant bij het Uwv aangevraagde deskundigenoordeel geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van de werkgever tot dan toe onvoldoende waren.
5.5.3.
Met ingang van 15 maart 2021 kon appellant re-integreren in aangepast werk op een tijdelijke werkplek bij de [afdeling] van het [onderdeel 2] waarbij de focus lag op het opbouwen van het arbeidsritme
.Appellant, die aanvankelijk van mening was dat dit vanwege medische redenen niet mogelijk was, startte daar alsnog op 22 maart 2021 voor 2 x 2 uur per week en breidde zijn uren op advies van de bedrijfsarts langzaam uit. Daarnaast vonden er spoor 2 activiteiten plaats. Op 19 april 2021 werd in het door de staatssecretaris aangevraagde deskundigenoordeel geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van appellant in deze periode onvoldoende waren.
5.5.4.
Op verzoek van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige is een belastbaarheidsonderzoek uitgevoerd door Ergatis. Uit het door de verzekeringsarts van Ergatis uitgebrachte rapport van 2 juni 2021, met bijbehorende functionele mogelijkhedenlijst, is gebleken dat appellant diverse beperkingen heeft in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Bij de arbeidsdeskundige heeft appellant aangegeven dat hij zich meer en verdergaand beperkt acht dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst is vastgelegd. Na een werkplekonderzoek is de arbeidsdeskundige op 22 juli 2021 tot de conclusie gekomen dat appellant niet in staat is om de functie van medewerker paskamer podologie in zijn volle omvang uit te voeren omdat zijn belastbaarheid op een aantal punten wordt overschreden. Er zijn geen mogelijkheden om het werk aan te passen. De mogelijkheden voor passende functies binnen Defensie op het huidige schaalniveau en twee schaalniveaus daaronder worden, gelet op de zeer specifieke achtergrond van appellant en de bestaande beperkingen, zeer klein geacht. Geadviseerd is om naar passend werk buiten Defensie te zoeken, hoewel de afstand van appellant tot de arbeidsmarkt groot is.
5.5.5.
Op 4 augustus 2021 is in het door appellant aangevraagde deskundigenoordeel geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van de werkgever in die periode voldoende zijn. Op 6 september 2021 heeft de bedrijfsarts in een functiegeschiktheidsadvies aangegeven dat appellant niet in staat is om de eigen functie in volle omvang uit te voeren en dat de functie niet passend te maken is. Werkhervatting in ander passend (te maken) werk bij de eigen werkgever is in theorie mogelijk, maar de mogelijkheden lijken beperkt. Werkhervatting in ander passend (te maken) werk buiten Defensie is volgens de bedrijfsarts mogelijk, maar er is wel sprake van een afstand tot de externe arbeidsmarkt
.In oktober 2021 is door een arbeidsdeskundige van bureau Bijzondere Medische Beoordelingen nogmaals gezocht naar passende functies en bezien of er op korte termijn vacatures vrij zouden komen. Geconcludeerd is dat de mogelijkheden om binnen Defensie tot een voldoende reintegratieresultaat te komen zeer klein zijn
.Vervolgens zijn met begeleiding van FourstaR diverse mogelijkheden onderzocht voor plaatsing op passende functies. Dit heeft niet tot een succesvolle plaatsing geleid. De casemanager van [naam onderdeel] heeft zich ook ingespannen om appellant extern te plaatsten. Dit heeft evenmin tot een succesvolle plaatsing geleid.
5.5.6.
Met een besluit van 25 april 2022 heeft het Uwv aan appellant vanaf 5 november 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
5.5.7.
Omdat de door appellant uitgevoerde scanwerkzaamheden bij de [afdeling] vanwege een nieuw softwareprogramma niet langer nodig waren, zijn die tijdelijke werkzaamheden op 1 april 2022 beëindigd. Op 2 mei 2022 is appellant gestart met werkzaamheden op een tijdelijke re-integratieplek in [plaatsnaam]. Op deze manier zou hij zijn arbeidsritme kunnen behouden. Appellant vond deze werkzaamheden zeer zwaar en hij kwam oververmoeid thuis. Dit heeft appellant dezelfde middag bij de bedrijfsarts gemeld. De bedrijfsarts heeft appellant daarop geadviseerd om de werkzaamheden te beëindigen en het medisch vervoer te annuleren
.Hierna volgde het onder 1.4 weergegeven ontslagbesluit.
5.5.8.
Op 13 september 2022 heeft de verzekeringsarts van Solutions gerapporteerd dat de actuele belastbaarheid van appellant nog verder is afgenomen dan ten tijde van de Uwvbeoordeling. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 27 juli 2023 (alsnog) een IVA-uitkering toegekend.
5.6.
Uit deze informatie blijkt duidelijk dat appellant ten tijde van het ontslag en ook daarna zeer beperkt belastbaar was voor werkzaamheden en dat deze beperkingen duurzaam waren. De arbeidsmogelijkheden waren heel beperkt en de kans om binnen Defensie tot een voldoende re-integratieresultaat te komen of passende arbeid te vinden was daardoor zeer klein. De staatssecretaris heeft, ook bezien tegen deze achtergrond, voldoende onderzoek naar de herplaatsingsmogelijkheden gedaan. Met het gegeven overzicht van de uitgevoerde reintegratieactiviteiten, het overzicht van sollicitatie-activiteiten in spoor 1, de voortgangsrapportages spoor 2 en het sollicitatieoverzicht van de coach van FourstaR is voldoende gemotiveerd dat er voor appellant geen mogelijkheden meer waren bij Defensie. Appellant heeft zijn stelling dat dergelijke functies wel beschikbaar waren niet onderbouwd. Dat het Uwv in de beslissing op bezwaar van 4 november 2022 heeft geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht, leidt niet tot een ander oordeel. De beoordeling in een WIA-zaak is namelijk niet één-op-één vergelijkbaar met de beoordeling in deze zaak. Bij de WIA-beoordeling wordt vooral gekeken naar reintegratieinspanningen en is niet bepalend of er daadwerkelijk passende functies zijn.
5.7.
Uit wat is overwogen onder 5.2 tot en met 5.6 volgt dat voldaan is aan de in artikel 121, derde lid, aanhef en onder c, van het Bard opgenomen voorwaarde voor ontslag. Nu niet in geschil is dat ook is voldaan aan de overige voorwaarden in dat artikellid, was de staatssecretaris bevoegd om appellant op grond van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bard ontslag te verlenen wegens arbeidsongeschiktheid. Uit wat appellant heeft aangevoerd, volgt niet dat de staatssecretaris daarvan in de gegeven omstandigheden geen gebruik mocht maken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de staatssecretaris uiteindelijk bijna drie jaar heeft gewacht tot het ontslag wegens ziekte.

Conclusie en gevolgen

6. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
7. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en L.M. Tobé en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
(getekend) H. Lagas
De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

1.Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.
2.Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
3.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
4.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
5.Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
6.Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
8.Onder meer de uitspraak van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194.
9.Uitspraak van de Raad van 4 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4048.
10.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 8 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1579.
11.Zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2007:BB6732.